John

June 17th, 2009

Katoenplantage John
Opperdistrict Nickerie, lot no. 220
volgorde der plantages: (van oost naar west)
Inverness – Hamilton – Welgelegen – Moy – Perseverance – Maryshope – Totness – Friendship – Bantaskine – John – Bella drum – Johanna Maria – Groot en klein Novar – Salem – Clyde – Leasowes – Sarah – Burnside

Auteur: Philip Dikland, 2004.

chronologie:

1801 – Bernardus Anthonis Batenburg (lot no. 220)

In 1797 – 1802 vonden de grote uitgiftes aan de Saramacca en de zeekust plaats. Lot 220 was uitgegeven aan Bernardus Anthonis Batenburg. Het is niet bekend of Batenburg de grond tot ontwikkeling heeft gebracht.

1821 – J.P. Wilson (almanak 1821)

De plantage heette in die dagen Wilsindale, naar de eigenaar John Piggot Wilson. De latere plantagenaam John zal trouwens ook wel van de eigenaar afkomstig zijn. J. Cumming was de directeur, en J. Cameron trad op als administrateur. Op de plantage werd katoen verbouwd.

1843 – aan plantage Friendship (almanak 1843)

Op de katoenplantage John (500 a.) werkten 85 slaven. De boedel Wilson was de eigenaar. G. Cruden was de directeur, en de administratie was in handen van W. Mackintosh.
De buurplantages Totness (1000 a.), Friendship (500 a.), en Bantaskine (1000 a.) behoorden alle aan dezelfde eigenaar, Alexander Macintosh. Macintosh administreerde de plantages zelf. G. Cruden was de directeur. Totness was een kweekgrond, terwijl op Bantaskine en Friendship katoen werd gekweekt.
De familie Macintosh had nog meer zaken in het Opperdistrict. Ene W. Macintosh was de eigenaar van de plantage Inverness, en voorts administrateur van de plantages Bellevue, John, Clyde, Leasowes en Oxford.

1854 – erven J. Robertson en J.M.V. van Onna (v. Sijpesteyn)

De buurplantages Bantaskine en John/Wilsingdale vormden samen 1 productieunit. Katoen was het product. Er waren 105 slaven plus 1 vrije arbeiders. Eigenaar en administrateur was A. Macintosh. De directeur op de plantage was M. Egan.

1863 – emancipatie

De emancipatiegegevens van de plantage moeten nog nader worden uitgezocht. Na de emancipatie werden geen hindustaanse of javaanse contractarbeiders geworven.

1889 – boedel A. Macdonald (almanak 1889)

De buurplantages Bantaskine, John, en Friendship behoorden alledrie aan de boedel Macdonald. Op John waren slechts 19 hectaren van de 429 in cultuur. Een beetje cacao, bananen en cocosnoten waren de plantageproducten.

1908 – 1909 – J. Bakker c.s.

Bakker was tevens directeur en administrateur. Hij bezat geen andere plantages. Enige cacao, bananen en cocosnoten waren de plantageproducten. In 1907 werkten er 30 arbeiders, en in 1908 9 arbeiders ; het betrof hier dus een kleine landerij. de almanak van 1908 duidt alle plantages aan als “gronden”, met de motivatie dat “geen van alle meer de naam plantage waardig zijn”.

2004 – de monumenten

Philip Dikland maakte in 2003 een uitgebreide fotoserie van alle traditionele woningen in Coronie. Het zijn unieke monumentjes, maar geen van alle beschermd, en ze zullen spoedig verdwijnen. De huizen staan allemaal langs de Oost-West verbinding. Er zijn geen huisnummers, in plaats daarvan zijn de nummers van de EBS-palen nabij de huizen gebruikt.


John, 1e huis links (gezien vanuit de stad). Het monumentje wordt met zorg onderhouden.

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – encyclopedie Nederlandsch West-Indie – 1917
p.229 gegevens Coronie

1.2 – Andre Loor
Verbonden, suriname en DSB, 1865-1990 – uitg. DSB, 1990

2 – archief Dienst der Domeinen, Paramaribo

1801 – resolutie lot no. 220
Alzoo James Ringle als daartoe verzogt door Bernardus Anthonis Batenburg zig aan ons bij requeste heeft geaddresseerd en te kennen gegeeven, dat genoemde Batenburg inclineerende een perceel land tusschen de rivieren Copename en Correntin op te neemen ten einde door den aanleg van een catoen plantagie zijn bestaan te bevorderen.
Weshalven hij verzogte dat hem mag werden geconcedeerd ‘t perceel land bekend onder no. en de nodige warrand daarvan verleend.
Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden te vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan Bernardus Anthonis Batenburg omme in allodialen eigendom op te neemen en erffelijk mogen bezitten het perceel land gelegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generaale schetskaart daarvan zijnde bekend onder no. 220 ter groote van 500 akkers met een face van 30 kettingen,
ende zulx onder de navolgende voorwaarden.
Fiat insertio de conditien als bij de warrand van J: Ogle pagina 258.
Aldus gedaan en met ons zegel bekrachtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was getekend / J. F. Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / J: Pringle secretaris
nevens appositie van ‘t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
Levij Davids gesw: clercq

Comments are closed.