Leasowes

June 17th, 2009

katoenplantage Leasowes aan de Coroniaanse kust
Opperdistrict Nickerie, lot 214 en 215
volgorde der plantages: (van oost naar west)
Inverness – Hamilton – Welgelegen – Moy – Perseverance – Maryshope – Totness – Friendship – Bantaskine – John – Bella drum – Johanna Maria – Groot en klein Novar – Salem – Clyde – Leasowes – Sarah – Burnside

Auteurs: Dennis Lee Kong & Philip Dikland, 2001 – 2004.

chronologie:

1808 – aanleg eerste plantages in Opper Nickerie (enc. West-Indie, p.229)

“……De eerste plantage was Lot no. 210 (later Burnside), waar een zekere A. Cameron het eerst katoen plantte. Het aantal plantages, meest alle aan Engelschen en Schotten toebehoorende, groeide snel aan en Opper-Nickerie werd een bloeiend katoenland. Toen de katoenprijzen daalden ging het district achteruit. Daartoe werkte ook de afspoeling der kust mede. De plantagegronden lagen vroeger alle met haar voordammen aan zee; op de achtergronden had men een breede, evenwijdig met de kust lopende zandrits, waarover een uitstekende, breede rijweg was aangelegd, de nog bestaande weg, terwijl de vroegere voordammen door de zee zijn weggespoeld. Daarna begon de kust weer aan te groeien, waardoor uitgestrekte modderbanken ontstonden, die de loozingkanalen verstopten en de landing zoowel als den afvoer van producten van jaar tot jaar moeilijker maakten….anders dan over zee is het district niet te bereiken……….”

1801 – Henrij William Adamson (lot no. 214)
de Lagoutte (lot no. 215)

In 1797 – 1802 vonden de grote uitgiftes aan de Saramacca en de zeekust plaats. Lot 214 en lot 215 waren uitgegeven aan respectievelijk Adamson en De Lagoutte. Het is onbekend of zij de gronden zelf hebben gecultiveerd. Waarschijnlijk niet ; waarschijnlijk hadden zij de gronden aangeschaft met het oogmerk ermee te speculeren.

1821 – Al. Cameron, W. Punett (almanak 1821)

Lot 214 en 215 waren inmiddels samengevoegd tot de grote plantage Leasowes van 1000 akkers. Al. Cameron was de eigenaar, J.C. Cameron was de directeur, en J.L. Cameron voerde de administratie.
Van Stipriaan (bronnen 1.4) heeft het een en ander nagetrokken over de productiviteit van de plantage. De katoen werd gemalen op z.g. trapmolentjes, die op dezelfde manier worden voortgedreven als een fiets. Er stonden er 24 opgesteld, die dus ook door 24 mensen werden bediend. Per dag en per molen kon 35 tot 45 pond zuivere katoen worden gemalen. Het was een simpel en redelijk effectief systeem. Daarnaast beschikte de plantage over een aantal katoenmolens die gezamenlijk waren aangesloten op een beestenwerk. (inventaris Leasowes, 1822). Later werd een stoommolen geinstalleerd.

1843 – boedel A. Cameron (almanak 1843)

Leasowes (1000 akkers, 223 slaven) en de naastliggende kleine plantage Clyde (250 akkers, 27 slaven) waren beide het eigendom van de boedel A. Cameron. Directeur op de plantage was J. Ricketts, en de administratie was in handen van W. Mackintosh.
Tot de boedel behoorden verder nog de plantage Oxford in Coronie, Alliance aan de Matapica, Labadieshoop eveneens aan de Matapica, Abigaelslust en Waterloo aan het Tapoeripakanaal, de Lemmert aan de Motkreek, en de houtgrond Albion aan de Saramacca. Voor verdere gegevens over Cameron zie de beschrijving van plantage Alliance.

1854 – A. Dessé

De plantages Leasowes en Clyde waren inmiddels in handen van A. Dessé. De eigenaar administreerde de plantages zelf. Directeur op de plantage was A. Ricketts. De slavenmacht bestond uit 322 mensen, en voorts werkten er 4 vrij arbeiders op de plantage.
Anthony Dessé was – net als zijn voorganger Cameron – een grote plantage-eigenaar. Hij was in 1854 eigenaar van een drie katoenplantages in Coronie en Nickerie: Leasowes & Clyde (stoom, 322 slaven), Good Intent (141 slaven), en Inverness (56 slaven). In 1856 en 1857 kocht hij de katoenplantage Sarah (stoom, 300 slaven), en de suikerplantage Paradise (stoom, lopende banden, 296 slaven), en tenslotte werd in 1864 in Saramacca de grote plantage Catharina Sophia aangekocht (stoom, 600 slaven). (v. Stipriaan, bronnen 1.4)

Tata Colin

Op de Plantage Leasowes was er een slaaf die Tata Colin heette. Hij zou op een zekere dag een aantal slaven van de plantage bevrijden maar werd verraden en opgepakt. Hij werd toen tot de strop veroordeeld en naar Paramaribo vervoerd. Het vonnis zou in Coronie voltrokken worden maar voor zijn vertrek stierf of eerder gezegd bezweek hij aan de martelingen. De Tata Colin school is naar hem genoemd ; op het marktplein te Totness is er ter zijner ere een standbeeld opgericht.

1863 – emancipatie
Ten tijde van de emancipatie waren Sarah en Leasowes beide in handen van Anthony Dessé (Nickerie, op dat moment in Europa). Deze ontving de volgende “tegemoetkomingen” :
F 95.400,- en F 600,- voor de 320 slaven op Sarah,
en F100.200,- en F3000,- voor de 344 slaven op Leasowes

Hieronder de familienamen van de slaven die vrij kwamen :

Anijs, Berm. Bloemgaard, Blom, Blos, Blijd, Bobson, Bron, Chards, Cichards,
Creton, Daniels, Diek, Doorson, Dors, Elzas, Esajas, Fay, Felter, Filemon
Gram, Hards, Hasselbaink, Jacobussen, Jonassen, Kartets, Kasson, Kolf,
Kramp, Kulas, Limon, Lunet, Machards, Mettendaf, Nomiss, Paal, Piket, Ravelijn, Redan
Redout, Riards, Riedewald, Rozenblad, Suran, Tevreden, Tolud, Tulp, Willig,
Wilsterman, Wijers, Zunder.

Na 1863 – contractarbeid

De plantage Sarah & Leasowes trok in totaal 120 brits-indische contractarbeiders aan. De aanvoer was onregelmatig: de meeste arbeiders werden geworven in 1873 / 74, en daarna nog enigen in 1884. De eigenaren / gezagvoerders in die tijd waren :
1873 – 1874 – D.E.Oldfield (plantage Sarah & Leasowes)
1884 – wed. E. Oldfield-Dessé (pl. Sarah & Leasowes en Mary’s Hope)
1889 – E. Van Lierop geb. Dessé (almanak 1889)

Sarah & leasowes was voor 114 hectares in cultuur gebracht. De eigenaresse administreerde de plantage zelf. C.T. Elmondt was de gezagvoerder op de plantage. De plantage produceerde in 1888 ca, 20 ton cacao en 70.000 kokosnoten.
Mevr. Van Lierop was eveneens eigenaresse van de plantage Mary’s Hope.

1908 – 1909 – Evangelische Broeder Gemeente (almanak 1908 en 1909)

Leasowes was samengevoegd met Sarah, en was het eigendom van de evangelische broeder gemeente. G. Kruger was de administrateur, en S. Prellwitz de directeur. Op de plantage werkten 9 arbeiders. Het hoofdproduct was kokos.
Enkele jaren later, in 1914, bezocht de EBG-broeder H. Weiss de plantage. Hij schrijft hierover :

“… ‘s Namiddags van dezelfde dag bezochten wij de familie Prellwitz op de plantage Leasowes. Broeder Prellwitz heeft groote klappertuinen aangelegd en ‘t is te hopen, dat de bereiding der palmolie, waarop men zich wil toeleggen, mede zal bijdragen, om deze zoo schoone streek ook economisch vooruit te brengen. Onze broeder tracht ook afwateringskanalen aan te leggen en zoo ‘t drassige land voor den aanleg van nieuwe klappertuinen geschikt te maken …”
1909 – 1940 – onbekend
ca. 1940 – ontsluiting (Verbonden, Suriname en DSB, A. Loor, p.84)

De onderlinge verbinding tussen de plantages is altijd goed geweest. Aan de achterzijde van de plantages ligt een schelprits evenwijdig aan de kust, waaroverheen al in een vroeg stadium een weg werd aangelegd, de z.g. “oude weg”. Alle bebouwing geschiedde langs deze weg, die thans een onderdeel van de Oost-West verbinding vormt.
Maar de verbindingen met de rest van Suriname waren slecht. Tot 1940 was Coronie alleen via zee bereikbaar. Het district lag geisoleerd, met als gevolg dat de ontwikkeling moeilijk op gang kwam. De bevolking voorzag in zijn eigen behoeften en men kwam nauwelijks buiten Coronie. Zo groeide een kleine maar hechte samenleving waarvan de sporen vandaag de dag nog steeds merkbaar zijn, al zijn vele Coronianen thans over de hele wereld uitgezwermd.
Pas in 1940 werd een landverbinding met Paramaribo opengesteld. Met het veer reisde men vanaf Jenny naar Carl-Francois in Saramacca, en vandaar liep een nieuwe weg via Groningen en Uitkijk naar Paramaribo.
Met de aanleg van de Oost-Westverbinding omstreeks 1960 werd de bereikbaarheid wederom verbeterd. Omstreeks 1977 werd deze weg geasfalteerd. Bij de rivieren waren aanvankelijk veerverbindingen ingesteld. Thans (2000) zijn echter over alle rivieren bruggen gebouwd. De brug over de Saramaccarivier werd omstreeks 1978 gebouwd, en de grote brug over de Coppenamerivier werd in 1999 opengesteld. Deed men in 1914 nog 24 uur over de reis naar Coronie, thans is de reistijd nog slechts anderhalf uur.


2004 – de monumenten

Noch op Leasowes, noch op Sarah zijn er monumentjes bewaard gebleven

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – encyclopedie Nederlandsch West-Indie – 1917
p.229 gegevens Coronie

1.2 – encyclopedie van Suriname – 1977
p.657-658 (loge Concordia)

1.3 – Andre Loor
Verbonden, suriname en DSB, 1865-1990 – uitg. DSB, 1990

1.4 – Alex van Stipriaan
Surinaams contrast – KITLV, 1993

1.5 – H. Weiss
vier maanden in Suriname – Nijkerk, 1915

2 – databases op het internet

2.1 – Heinrich Helstone, Okko ten Hove e.a. – database emancipatieregisters 1863

2.2 – Maurits Hassenkhan e.a. – databases Chinese, Hindustaanse en Javaanse immigratie

2.3 – www.suriname.nu/175alg/coronie01.html
een uitstekend algemeen overzicht van Coronie ; auteur onbekend.

3 – archief Dienst der Domeinen, Paramaribo


1801 – resolutie lot no. 214

Alzoo Henrij William Adamson zig aan ons bij requeste heeft geaddresseerd en te kennen gegeven, dat hij suppliant ontwaar geworden dat door Hoog Edele Gestr: landen tusschen de rivieren Copename en Correntijn ter culture werden uitgegeven.
Weshalven hij verzogte dat hij mag werden geconcedeerd ‘t perceel land bekend onder no. 214 en de nodige warrand daarvan verleend.
Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden te vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan H: W: Adamson omme in allodialen eigendom op te neemen en erffelijk mogen bezitten het perceel land geleegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generaale schetskaart daarvan zijnde bekend onder no. 214 ter groote van 500 akkers met een face van 30 kettingen,
ende zulx onder de navolgende voorwaarden.
Fiat insertio de conditien als bij de warrand van J: Ogle pagina 258.
Aldus gedaan en met ons zegel bekrachtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was getekend / J. F. Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / J: Pringle secretaris
nevens appositie van ‘t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
Levij Davids gesw: clercq

1801 – resolutie lot no. 215
Alzoo F: Marten voor de Lagoutte Lieutenant in dienste van zijne Brittanische Majesteit zich aan ons bij requeste heeft geaddresseerd en te kennen gegeeven, dat hij de Lagoutte geinclineerd is zijn bestaan in de landbouw te bevorderen geinformeerd werden dat er tussen de rivieren Copename en Correntijn nog onbegeeven land leggen waarvan hij zig gaarne van 500 akkers zag begunstigd.
Weshalven hij verzogte dat hem werden geconcedeerd ‘t perceel land bekend onder no. en de nodige warrand daarvan verleend. Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden te vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan de Lagoutte omme in allodialen eigendom op te neemen en erffelijk mogen besitten het perceel land geleegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generaale schetskaart daarvan zijnde bekend onder no. 215 ter groote van 500 akkers met een face van 30 kettingen,
ende zulx onder de navolgende voorwaarden.
Fiat insertio de conditien als bij de warrand van J: Ogle pagina 258.
Aldus gedaan en met ons zegel bekrachtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was getekend / J. F. Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / J: Pringle secretaris
nevens appositie van ‘t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
Levij Davids gesw: clercq

Comments are closed.