Novar

June 17th, 2009

katoenplantage Novar aan de Coroniaanse kust
Opperdistrict Nickerie, lot 216 en 217
volgorde der plantages: (van oost naar west)
Inverness – Hamilton – Welgelegen – Moy – Perseverance – Maryshope – Totness – Friendship – Bantaskine – John – Bella drum – Johanna Maria – Groot en klein Novar – Salem – Clyde – Leasowes – Sarah – Burnside

auteur: Philip Dikland, 2004

chronologie:

1808 – aanleg eerste plantages in Opper Nickerie (enc. West-Indie, p.229)

“……De eerste plantage was Lot no. 210 (later Burnside), waar een zekere A. Cameron het eerst katoen plantte. Het aantal plantages, meest alle aan Engelschen en Schotten toebehoorende, groeide snel aan en Opper-Nickerie werd een bloeiend katoenland. Toen de katoenprijzen daalden ging het district achteruit. Daartoe werkte ook de afspoeling der kust mede. De plantagegronden lagen vroeger alle met haar voordammen aan zee; op de achtergronden had men een breede, evenwijdig met de kust lopende zandrits, waarover een uitstekende, breede rijweg was aangelegd, de nog bestaande weg, terwijl de vroegere voordammen door de zee zijn weggespoeld. Daarna begon de kust weer aan te groeien, waardoor uitgestrekte modderbanken ontstonden, die de loozingkanalen verstopten en de landing zoowel als den afvoer van producten van jaar tot jaar moeilijker maakten….anders dan over zee is het district niet te bereiken……….”

1801 – William White

Lot no. 216, de grond van de latere plantage Novar, werd in 1801 uitgegeven aan William White. Het is niet bekend of White de grond zelf heeft ontgonnen.
Op een gegeven moment werd het perceel in 2 helften van elk 250 akkers verdeeld. De westelijke helft werd de plantage Clyde, en de oostelijke helft de plantage Novar.
In 1826 werd het naastliggende lot no. 217 in eigendom verworven en bij de plantage gevoegd. Lot 216 wordt wel aangeduid met “Klein Novar”, en lot 217 met “Groot Novar”.

1821 – H. Herbert (almanak 1821)

Novar was een katoenplantage van 250 akkers. De directeur op de plantage was M. Mackenzie. N. Herbert voerde de administratie.
Eigenaar H. Herbert bezat geen andere plantages ; de administrateur N. Herbert was eigenaar van de koffieplantage Hazard in het Nederdistrict Nickerie. N. Herbert senior was eigenaar van plantage Nooitgedacht aan de Commewijnerivier. En tenslotte was R. Herbert de eigenaar van plantage Providence in het Opperdistrict (later Coronie).

1843 – boedel C. Stuart (almanak 1843)

Novar was een katoenplantage van 250 akkers met 70 slaven. Directeur op de plantage was E. Ricketts. N. Herbert en directeur Ricketts voerden samen de administratie. De boedel Stuart bezat geen andere plantages.

1863 – emancipatie

De emancipatiegegevens van de plantage moeten nog nader worden uitgezocht. Na de emancipatie werden geen hindustaanse of javaanse contractarbeiders geworven. De plantage bleef wel in productie.

1889 – D.C. Daniels (almanak 1889)

De plantage had een oppervlakte van 322 akkers waarvan 70 in cultuur. De plantage produceerde cacao en bananen. Eigenaar Daniels bezat geen andere plantages.

1908 – 1909 – D.C. Daniels c.s. (almanakken)

D.C. Daniels was zowel de eigenaar als de beheerder van de plantage. In 1909 wordt C. Douglas genoemd als mede-eigenaar. De almanak van 1909 geeft aan, dat er 230 arbeiders aan het werk waren. Dat lijkt veel, maar ze produceerden met hun allen niet meer dan bijvoorbeeld plantage John met 30 arbeiders. Mogelijk is er sprake van een verschrijving.

1909 – 1940 – onbekend

ca. 1940 – ontsluiting (Verbonden, Suriname en DSB, A. Loor, p.84)

De onderlinge verbinding tussen de plantages is altijd goed geweest. Aan de achterzijde van de plantages ligt een schelprits evenwijdig aan de kust, waaroverheen al in een vroeg stadium een weg werd aangelegd, de z.g. “oude weg”. Alle bebouwing geschiedde langs deze weg, die thans een onderdeel van de Oost-West verbinding vormt.
Maar de verbindingen met de rest van Suriname waren slecht. Tot 1940 was Coronie alleen via zee bereikbaar. Het district lag geisoleerd, met als gevolg dat de ontwikkeling moeilijk op gang kwam. De bevolking voorzag in zijn eigen behoeften en men kwam nauwelijks buiten Coronie. Zo groeide een kleine maar hechte samenleving waarvan de sporen vandaag de dag nog steeds merkbaar zijn, al zijn vele Coronianen thans over de hele wereld uitgezwermd.
Pas in 1940 werd een landverbinding met Paramaribo opengesteld. Met het veer reisde men vanaf Jenny naar Carl-Francois in Saramacca, en vandaar liep een nieuwe weg via Groningen en Uitkijk naar Paramaribo.
Met de aanleg van de Oost-Westverbinding omstreeks 1960 werd de bereikbaarheid wederom verbeterd. Omstreeks 1977 werd deze weg geasfalteerd. Bij de rivieren waren aanvankelijk veerverbindingen ingesteld. Thans (2000) zijn echter over alle rivieren bruggen gebouwd. De brug over de Saramaccarivier werd omstreeks 1978 gebouwd, en de grote brug over de Coppenamerivier werd in 1999 opengesteld. Deed men in 1914 nog 24 uur over de reis naar Coronie, thans is de reistijd nog slechts anderhalf uur.

2004 – ontwikkeling

Dankzij de aanleg van de Coppenamebrug is heel Coronie thans volop in ontwikkeling. Ook in Novar is dit goed te merken. De huizen worden gemoderniseerd of nieuw gebouwd.
Het enige minpunt in deze ontwikkeling is dat de fraaie houten huisjes, het karakteristieke element van Coronie, plaats beginnen te maken voor stenen nieuwbouw met een eigentijdse vormgeving. Coronie verliest daarmee een beetje zijn unieke karakter. Jammer, maar onvermijdelijk.

2004 – de monumenten

Philip Dikland maakte in 2003 een uitgebreide fotoserie van alle traditionele woningen in Coronie. Het zijn unieke monumentjes, maar geen van alle beschermd, en ze zullen spoedig verdwijnen. Onderstaand treft u foto’s van alle woningen van Novar. Alle woningen liggen langs de Oost-West verbinding. Er zijn geen huisnummers ; in plaats daarvan is de nummering gebruikt van de electrapalen langs de weg.

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – encyclopedie Nederlandsch West-Indie – 1917
p.229 gegevens Coronie

1.2 – encyclopedie van Suriname – 1977
p.657-658 (loge Concordia)

1.3 – Andre Loor
Verbonden, suriname en DSB, 1865-1990 – uitg. DSB, 1990

2 – databases op het internet

2.1 – Heinrich Helstone, Okko ten Hove e.a. – database emancipatieregisters 1863

2.2 – Maurits Hassenkhan e.a. – databases Chinese, Hindustaanse en Javaanse immigratie

3 – archief Dienst der Domeinen, Paramaribo

1801 – resolutie lot no. 216 (Klein Novar)
Alzoo William White als daartoe door Kenneth Mc Leaij commissaris generaal verzocht zich ons bij requeste heeft geaddresseerd en te kennen gegeven, dat zijn suppliant principaal vernomen hebbende dat thans eenige landerijen op de kust ter culture werden uitgegeven en gaarne met een perceel denzelve wenschende te werden begunstigd.
Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden te vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan Kenneth Mc Leaij omme in allodialen eigendom op te nemen en erffelijk mogen bezitten het perceel land gelegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generale schetskaart daarvan zijnde bekend onder no. 216 ter groote van vijfhondert akkers met eene face van dertig kettingen
onder de navolgende voorwaarden.
In de eerste plaats dat hij de adprobatie op deze warand met bijvoeging van een kaart figuratief der strekkinge en belendinge van zodanige landsheer als nader zal werden bepaald te verzoeken en die binnen twaalf maanden nadat ‘t zelve verleend zal wezen aan ons te exhibeeren,
dat hij daar en boven dit verkregen land behoorlijk zal doen uitmeten en daarvan laten vervaardigen vier evengelijke kaarten die binnen een jaar na dato dezes aan ons ter aprobatie zullen moeten worden gebragt en zullen dienen één voor den landsheer, één voor ons een om neffens deze warrand ter secretarij der colonie te worden geregistreerd en één voor den eigenaar op straffe van ten behoeven van ‘t militaire hospitaal alhier te zullen verbeuren de somma van vijftig guldens voor ieder maand dat hij na deze bepaalde termijnen aan een der voorschreve verpligtingen zal zijn gebleven in gebreken.
In de tweede plaats dat hij, zijne erven of regtverkrijgenden, van deze vijfhonderd akkers land zal moeten betalen vijf jaren na het verleenen van deze warand eene recognitie van vijf en twintig stuivers hollandsch geld per akker, welke recognitie zal plaatsvinden twee achtereen volgende jaren en vervolgens een recognitie of kanongeld van twee stuivers per akker ieder jaar aan den ontvanger der inkomende en uitgaande regten, indertijd ‘t zij hetzelve land bebouwd en gecultiveerd wordt of niet, en zo vervolgens jaarlijks op den eersten dag van ‘t verleenen van deze warand, en dat op poene dat ingevalle dezelve recognitie of kanongeld binnen drie maanden na den vervaldag telkens niet voldaan was hij, zijne erven of regtverkrijgenden, zullen moeten betalen ‘t dubbeld van dien en alzo inplaatse van vijfentwintig en twee stuivers vijftig en vier stuivers, en waarvoor hij, zijne erven of regtverkrijgenden, paratelijk zal mogen en moeten worden geexecuteerd.
In de derde plaats dat hij, zijne erven of regtverkrijgenden, de vormelde vijf honderd akkers land niet zullen mogen verkoopen verhandelen wegschenken ofte op eenigerlij wijze van meester doen veranderen – tenzij bij versterf of insolventie – als nadat den tijd van tien jaren na de dagteekening van dit warand zal zijn verstreken, zonder daarvoor in de cassa der inkomende en uitgaande regten alhier te betalen eene recognitie of kanongeld van vijf en twintig stuivers per akker eens zonder meer.
In de vierde plaats dat hij een terrein van zes en zestig voeten zal moeten laten onbewerkt aan ‘t rivier, blijvende zulks in den eigendom van den landsheer agter welke zes en zestig voeten hij zal moeten onderhouden een ordenaire land- en reijweg langs ‘t rivier ter breedte van twintig voeten welke aan die van den buuren aansluiten moet, zullende het aan hem niettemin gepermitteerd zijn aan dezelve zijne landingsplaats te mogen maken en gebruiken, mitsgaders door dezelve te mogen graven zodanige slooten of trensen als hij zal noodig oordeelen tot lozing van zijn opgenomen land, mits dat dezelve worden voor zien van goede en sufficiente bruggen zoals tot een bekwame land- en reijweg wordt gerequireerd.
In de vijfde plaats dat terwijl het in het vervolg zoude kunnen voorkomen dat dit perceel tot defensie van de colonie tot communicatie van de onderscheidene districten van dezelve tot het maken van kanalen wegen ofte tot andere voor ‘t algemeen noodzakelijke eindens zoude dienen te worden gebruikt, het ten allen tijden aan den landsheer vrij zal staan van hetzelve hetzij geheel of ten deelen tot zulke eindens bezit te nemen, mits echter dat hij, zijne erven of regtverkrijgende, worden gededomangeerd(?) volgens een taxatie te doen door iemand vanwegens den landsheer en door iemand van zijnentwegen, dewelke wegens de taxatie niet eens kunnende worden een derde persoon tot mede taxateur zullen eligeeren.
In de zesde plaats dat hij, zijne erven of regtverkrijgende, in tijden van oorlog gehouden zullen zijn op de eerste requisitie van den gouverneur-generaal in der tijd een bekwame schutter-neger op de fortresse Braak ofte op zodanige andere plaats als aan dat rivier gelegd mogte worden te leveren, en welke neger hij zal hebben te voorzien met agt dagen droge of groene kost en waarvoor aan hem zal worden betaald de huur door de regeering voor commando slaven bepaald.
In de zevende plaats dat hij verpligt zal zijn binnen den tijd van twee jaren na het verkrijgen der adprobatie hiervoren gemeld, een gedeelte van ‘t land inpolder te leggen en daarop te stellen een huis, behoorlijke aanstalten tot cultuure te maaken, en daarop bij continuatie te houden ten minsten een getal van vijf stuks slaven die bij ‘t effect zullen moeten zijn en blijven geaffecteerd mitsgaders aan geen andere effecten mogen zijn verbonden.
In de achtste plaats dat hij niets zal vermogen te ondernemen tot nadeel der vrije indianen ofte eenige voorige concessien, nochte ook de natuurlijke kreeken die door dit land mogte lopen toe te vallen ofte stoppen, maar dezelve open en vrije laten blijven om door een ieder te worden bevaren.
In de negende plaats dat het recht van naasting aan den landsheer in geval van verkoop ten allen tijden zal zijn competeerende en blijven gereserveerd.
En laatstelijk in de tiende plaats dat hij copie van dit warand aan den heer eerste raad fiscaal dezer colonie tegens recepisse zal moeten ter hand stellen en dit recepis annexeeren bij zijne requeste ten fine van adprobatie aan den landsheer te presenteeren.
Alles op poene dat ingevalle hij, zijne erven of regtverkrijgende, aan alle de stipulatien in dezen vermeld / uitgezonderd die bij ‘t eerste en tweede articeel staan uitgedrukt en waarvoor bijzonderde boetens zijn vastgesteld / niet en voldoet, hij de facto en buiten forma van proces van deze concessie zal zijn vervallen en worden gepriveerd zonder dat hij ten tegendeelen eenige dilaijen, exceptien ofte andere middelen van regten hoe ook genaamd zal vermogen te gebruiken, en dit land zelve verstaan zijn te zijn geretourneerd in den boezem van den lansheer omme daarmede ten allen tijden te handelen zo als bevinden zal te behooren.
Aldus gedaan en met ons zegel bekragtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was get: / Friderici
/ onderstond / ter ordonn: van den heer gouverneur
/ en get / Pringele secretar: nevens appositie van het zegel van den heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruit overdekt.
Accordeert met zijn origineel geteekend Levij Davids gesw: clercq
Voor eensluidend afschrift de secratis van het gouvernements

1826 – Certifikaat lot no. 216 (Klein Novar)
Relatief de katoenplantage Novar zijnde eene halfte van het perceel no. 216 gelegen aan de zeekust dezer kolonie, belendende ten noorden aan de oceaan, ten oosten aan het onbebouwd perceel land bekend onder no. 217, ten zuiden door landsbosch, en ten westen door de plantage Clijde, dewelke is de wederhalfte van gemeld perceel no. 216
Deze plantage is als aankomende Harriet Herbert wed: Hugh Mackensie thans bij den 1e exploiteur dezer kolonie onder executie.
De warand dezer plantage waarin de naastaan gelegen als één perceel land uitmakende mede begrepen is, is verleend aan William White qq voor Kenneth Mc Leaij door den gouverneur J: F: Friderici den 30 september 1801, dezelve is aanwezig ter gouvernements secretarij prothocol der rivier Nickerie en zeekust no. 2b fo 691
Deze warand na den jare 1795 verleend zijnde, en hoogere approbatie behoevende is deze uitgifte vallende in de termen van art 2 van Z: M: besluit van den 13 mei 1825 no. 29 alhier gepubliceerd den 30 december daaraan volgende gouvernements blad no. 7, zodat op dezelve nadere approbatie moet worden gevraagd.
Van deze plantage is geene kaart van uitmeting ter gouvernements secretarij aanwezig noch door de belanghebbende overgelegd, zodat deze plantage ter vervaardiging darvan moet worden gemeten ; om te strekken tot rigtsnoer dezer werkzaamheid en om te voldoen aan de bepalingen van art 3 van voornoemd belsuit heb ik heden geformeerd een kaar figuratif in quarto waarop vooralsnog niet kan worden aangeduid de uitgestrektheid der reeds daarzijnde cultuur van katoen en kost.
Deze plantage is groot 250 akkers met eene breedte van 15 kettingen en alzo eene gemiddelde diepte van 166 2/3 kettingen.
Aldus gedaan en in triplo afgegeven alhier aan Paramaribo den 15 junij 1826
De rooijmeester en landmeeter Mabe.
Geapprobeerd bij resolutie van zijne excellentie den heer generaal majoor gouverneur der kolonie Suriname van donderdag den 15 junij 1826 no. 82
de secretaris van het gouvernements

18?? – Certifikaat lot no. 217 (groot Novar)
Relatief een perceel land gelegen aan de west zeekust dezer Kolonie bekend onder no. 217 hetzelve wordt belend ten noorden door den Oceaan, ten oosten door het perceel no. 218, ten zuiden door staande bosch of agterland en ten westen door de katoen plantage Novar zijnde de helfte van het perceel no. 216.
Dit perceel land is met het naast aan gelegene no. 218 aan J: Pringle als daartoe verzocht door W: Cats voor zijn broeder S: B: Cats in eene warrand verleend door den Gouverneur J: F: Friderici, den 30 september 1801.
Welke aanwezig is ter Gouvernements Sekretarij prothocol no. 2b fol. 695.
Op de uitgifte van voormeld perceel ontbreekt des landsheeren approbatie, en is dezelve als na primo januarij 1795 geschied, vallende in de termen van Art. 2 van Z.M. Besluit dd 13 mei 1825 no. 29 zoo dat die approbatie al nog moet worden gevraagd.
Dezelve wordt alnu verzocht door N: Herbert zoo voor zich als in qualiteit van generale gemachtigden van Maria Rose Herbert geboren La Fraille, Helene Herbert en Margaretha Herbert allen in relatie van erfgenaamen des boedels wijlen N: Herbert tot wiens boedel het voormelde perceel behoort.
De bedoelde boedel gedevolveerd zijnde aan de kurateele en onbeherde boedels kamer dezer kolonie is vervolgens aan de voormelde erfgenamen overgegeven ; op hetzelve perceel is reeds eenige openkapping tot cultuur begonnen en eene weide voor vee aangelegd welke verdere bebouwing men voornemens is voort te zetten.
Ten einde te voldoen aan de bepalingen van Art. 3 van voornoemd zijner Majesteits Besluit heb ik op heden een kaart figuratief in quinto van voormeld perceel vervaardigd, welke strekken moeten, twee om naar het Ministerie te worden opgezonden, twee voor de beide archieven der Sekretarijen en een voor den belanghebbenden.
Dit perceel land is groot 500 akkers met eene breedte van 30 kettingen en alzoo ter gemiddelde diepte van 166 2/3 kettingen.
Aldus gedaan en in quinto afgegeven alhier aan Paramaribo den …..
De Geadmitteerde landmeeter Mabe

18?? – Kaart Figuratief lot 216 en 217
Geformeerd door mij ondergetekende Geadmitteerde Landmeter binnen deze Kolonie ten verzoeke van den WelEdelen Heer N: Herbert, zoo voor zich als in kwaliteit van Generale Gemachtigde van Marij Rose Herbert geboren La Fraille, Helena Herbert en Margaretha Herbert als zijnde gezamentlijk erfgenamen van den boedel wijlen N: Herbert aanwijzende de ligging en belending van een perceel land aan de west zeekust dezer Kolonie bekend onder no. 217 groot 500 akkers met eene breedte van 30 kettingen en alzoo ter gemiddelde diepte van 166 2/3 kettingen ; hetwelk door de nevenstaande figuur ABCD wordt uitgedrukt.
Strekkende deze kaart ter voldoening aan de bepalingen van Art. 3 van Z.M. Besluit van den 13 mei 1825 no. 29 om te worden gevoegd aan het rekwest ter verkrijging van approbatie op de uitgifte van dit perceel land, verleend bij warand sub dato 30 september 1801 door den Heere Gouverneur Generaal J: F: Friderici ten behoeve van S: B: Catz.
Paramaribo den ……..
Mabe

Comments are closed.