Totness

June 17th, 2009

De vestigingsplaats Totness aan de Coroniaanse kust
Opperdistrict Nickerie, lot 223 en 224
volgorde der plantages: (van oost naar west)
Inverness – Hamilton – Welgelegen – Moy – Perseverance – Maryshope – Totness – Friendship – Bantaskine – John – Bella drum – Johanna Maria – Groot en klein Novar – Salem – Clyde – Leasowes – Sarah – Burnside

Auteur: Philip Dikland, 2004.

chronologie:

1801 – J. Muller

De percelen 223 en 224, het latere Totness, werden in 1801 uitgegeven aan J. Muller. Waarschijnlijk heeft Muller niets met de percelen gedaan, want in 1821 waren ze nog steeds onbebouwd.

1821 – J. Bent (almanak 1821)

In 1821 waren de percelen 223 en 224 nog naamloos en onbebouwd. De eigenaar was J. Bent. Bent was voorts eigenaar van de katoenplantage Sarah, en de plantages Descanzo, Pietersburg en Domburg aan de Surinamerivier.
In 1832 (Teenstra) was Totness een katoenplantage.

1843 – A. Macintosh (almanak 1843)

De buurplantages Totness (1000 a.), Friendship (500 a.), en Bantaskine (1000 a.) behoorden alle aan dezelfde eigenaar, Alexander Macintosh. Macintosh administreerde de plantages zelf. G. Cruden was de directeur. Totness was een kweekgrond, terwijl op Friendship katoen werd gekweekt. Naast Friendship was er een militaire post aan de mond der Corona kreek.
De familie Macintosh had nog meer zaken in het Opperdistrict. Ene W. Macintosh was de eigenaar van de plantage Inverness, en voorts administrateur van de plantages Bellevue, John, Clyde, Leasowes en Oxford.

1854 – onbekend

In 1854 kwam Totness niet meer voor op de plantagelijsten, en was vermoedelijk al buiten productie gesteld.

1862 – de plantage Totness wordt ingericht als gouvernementsvestigingplaats.

Gouverneur Van Sypesteyn richtte te Totness de eerste z.g. “vestigingsplaats” voor kleinlandbouwers in, waar de ex-slaven onder goede voorwaarden eigen grond konden verkrijgen.
Van Sypesteyn’s gedachte was de ex-slavenbevolking economische zekerheid te bieden in de kleinlandbouw, en zo te voorkomen dat de zij massaal naar de stad zouden trekken. De plantagegrond van Totness werd verkaveld in kleinlandbouwarealen. Voor zover nog niet aanwezig, werden een aantal voorzieningen aangelegd: een markt (te Totness) en een ambtelijk centrum (het districtcommissariaat te Friendship).

Het middenkanaal van de plantage werd door Chinese arbeiders verbreed en verdiept zodat het beter geschikt werd voor de scheepvaart. Dit z.g. “gouvernementskanaal” was de belangrijkste verbinding tussen Coronie en de rest van de wereld.
Broeder H. Weiss van de EBG-gemeente bezocht Coronie in 1914 en verhaalt over de reisomstandigheden :
“…. Toen werd ‘t anker uitgeworpen. Voor de kust van Coronie liggen groote modderbanken, die ‘t den schepen onmogelijk maken, vlak bij land te komen.
Donker was de nacht. Slechts nu en dan verlichtte een bliksemstraal ‘t bruingele water en de wouden vóór ons. De boot werd in ‘t ondiepe water heen en weer geslingerd. De regen stroomde neer. De boodschap was nu maar: geduldig wachten, tot we afgehaald werden. Eindelijk bemerkten we een licht in de verte, dat steeds naderbij kwam. ‘t Was een vrij lange visscherssloep, die aan stuurboord aanlegde. De sloep werd voortdurend op en neer geworpen en bonsde met regelmatige tusschenpozen tegen onzen scheepswand. Eerst moesten nu de goederen voor Paramaribo bestemd, uit de visscherssloep aan boord gebracht worden. Wij zien geduldig toe. ‘t Werkje duurt zowat een uur.
Dan klinkt het : passagiers eerste klasse instappen ! Ik ben de eerste die het schip verlaat. Op een ogenblik, dat de golven de sloep tot bijna ter hoogte van ‘t dek onzer boot opheffen, waag ik den sprong ….
…. Eindelijk is alles in de sloep : kisten, koffers, pakjes, trommels, vruchten – menschen. Dicht op elkaar gepakt zit men, naast en op elkaar, en nu begint de veelbesproken nachtelijke tocht. Na een goed half uur bereiken wij den mond van het kanaal. Langzaam, als ‘t ware vermoeid, glijdt ons vaartuig door de vaargeul tusschen laag struikgewas. ‘t Is hier alles aangeslibd land. Wij hebben onze muskietensluier omgehangen. Zij die niet zoo gelukkig zijn, trachten met de handen hun huid te beschermen. De bootslui beginnen nu den strijd tegen muskieten en mampieren. In een grooten ijzeren pot brandt men den bast van kokosnoten ; de bijtenden rook dringt ons in den neus, maar schijnt werkelijk de muskieten op een afstand te houden. Onze boot vaart steeds langzamer. ‘t Kanaal wordt voortdurend smaller. We merken eindelijk niet meer, dat we vorderen, en geven er de voorkeur aan, boot en bemanning goeden dag te zeggen en te voet onzen tocht voort te zetten. Bij vieren waren we te Totness….”

Het Gouvernementskanaal in 1914.

Langzamerhand groeiden de voorzieningen. Omstreeks 1850 kwam er een EBG-kerk. In 1875 werd er een R.K. kerk gebouwd op de buurplantage Mary’s Hope. Feitelijk vormt het westelijk deel van Mary’s Hope samen met Totness en Friendship het centrum van geheel Coronie.

1909 – dorp (almanak 1909)

Op Totness woonden 786 kleinlandbouwers met hun gezinnen, het dorp was toen veel groter dan thans het geval is. Zij verbouwden cacao, bananen, en kokosnoten. (surinaamse almanak 1909)

ca. 1940 – ontsluiting (Verbonden, Suriname en DSB, A. Loor, p.84)

De onderlinge verbinding tussen de plantages is altijd goed geweest. Aan de achterzijde van de plantages ligt een schelprits evenwijdig aan de kust, waaroverheen al in een vroeg stadium een weg werd aangelegd, de z.g. “oude weg”. Alle bebouwing geschiedde langs deze weg, die thans een onderdeel van de Oost-West verbinding vormt.
Maar de verbindingen met de rest van Suriname waren slecht. Tot 1940 was Coronie alleen via zee bereikbaar. Het district lag geisoleerd, met als gevolg dat de ontwikkeling moeilijk op gang kwam. De bevolking voorzag in zijn eigen behoeften en men kwam nauwelijks buiten Coronie. Zo groeide een kleine maar hechte samenleving waarvan de sporen vandaag de dag nog steeds merkbaar zijn, al zijn vele Coronianen thans over de hele wereld uitgezwermd.
Pas in 1940 werd een landverbinding met Paramaribo opengesteld. Met het veer reisde men vanaf Jenny naar Carl-Francois in Saramacca, en vandaar liep een nieuwe weg via Groningen en Uitkijk naar Paramaribo.
Met de aanleg van de Oost-Westverbinding omstreeks 1960 werd de bereikbaarheid wederom verbeterd. Omstreeks 1977 werd deze weg geasfalteerd. Bij de rivieren waren aanvankelijk veerverbindingen ingesteld. Thans (2000) zijn echter over alle rivieren bruggen gebouwd. De brug over de Saramaccarivier werd omstreeks 1978 gebouwd, en de grote brug over de Coppenamerivier werd in 1999 opengesteld. Deed men in 1914 nog 24 uur over de reis naar Coronie, thans is de reistijd nog slechts anderhalf uur.

2004 – ontwikkeling

Dankzij de aanleg van de Coppenamebrug is heel Coronie thans volop in ontwikkeling. Ook in Totness is dit goed te merken. De huizen worden gemoderniseerd of nieuw gebouwd.
Het enige minpunt in deze ontwikkeling is dat de fraaie houten huisjes, het karakteristieke element van Coronie, plaats beginnen te maken voor stenen nieuwbouw met een eigentijdse vormgeving. Coronie verliest daarmee een beetje zijn unieke karakter. Jammer, maar onvermijdelijk.

2004 – de monumenten

Philip Dikland maakte in 2003 een uitgebreide fotoserie van alle traditionele gebouwen in Coronie. Het zijn unieke monumentjes, maar geen van alle beschermd, en ze zullen spoedig verdwijnen. Onderstaand treft u foto’s van alle monumenten van Totness .


Het gouvernementslogeergebouw.Foto KDV architects, 2000.


Het gouvernementskanaal in 2003. De mooie sluis is een betonnen constructie, maar gedetailleerd alsof het een houtconstructie betreft. Foto KDV architects.


Gouvernementskanaal, detail van de sluis. Foto KDV architects, 2003.

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – encyclopedie Nederlandsch West-Indie – 1917
p.229 gegevens Coronie

1.2 – Andre Loor
Verbonden, suriname en DSB, 1865-1990 – uitg. DSB, 1990

1.3 – H. Weiss
vier maanden in Suriname – Nijkerk, 1915

2 – archief Dienst der Domeinen, Paramaribo

1801 – resolutie lot no. 223 en 224
Alzoo J: Muller planter en inwoonder aan rio Saramacca zig aan ons bij requeste heeft geaddresseerd en te kennen gegeeven, dat hij suppliant in rio Saramacca van ons goedheid in den jaare 1797 hadde geobtineerd een concessie van 500 akkers land, hij ook duidelijk dezelve heeft begonnen te cultiveeren inzoverre dat hij aldaar heeft aangelegd een coffij plantagie welke van de nodige kost voorzien en in zijne verwagting is van een zeer voordeelige uitzigt, dat hij suppliant door deeze aanleg vermids indertijd tot merkelijk voordeel van de lande in den opbrengst van lasten en inkomsten te zullen contribueeren, hij genegen is om wanneer wij even goedgunstig aan hem suppliant wilden verleenen een concessie van 1000 akkers land op de kust bij de copename om aldaar een catoen plantagie te beginnen.
Weshalven hij verzogte dat hem mag werden geconcedeerd de perceelen land bekend onder no. en de nodige warrand daarvan verleend.
Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden en vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan J: Muller omme in allodialen eigendom op te neemen en erffelijk mogen bezitten de perceelen land gelegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generaale schetskaart daarvan zijnde bekend onder no. 223 & 224 ter groote van 1000 akkers met een face van 60 kettingen,
ende zulx onder de navolgende voorwaarden.
Fiat insertio de conditien als bij de warrand van J: Kuvel & J: D: Hoeuft pagina 265.
Aldus gedaan en met ons zegel bekrachtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was getekend / J. F. Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / J: Pringle secretaris
nevens appositie van ‘t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
Levij Davids gesw: clercq

Comments are closed.