Mary’s hope

June 16th, 2009
Plantage Mary’s hope Foto’s update:23 nov. 2004 Print
katoenplantage Maryshope aan de Coroniaanse kust
Opperdistrict Nickerie, lot 225-226
volgorde van oost naar west:
Coppename – Ingi kondre – Inverness – Hamilton – Welgelegen – Hague – Moy – Perseverance – Cardross park – Bellevue – Maryshope – Totness – Friendship
auteur: Philip Dikland, 2003

chronologie:

1815 – uitgifte aan A. Cameron (2)

Lot no. 225 t/m 230 werden uitgegeven aan Alexander Cameron. Hij kreeg de gronden niet in eigendom, aan hem werd slechts een gebruiksrecht verleend om:

“….hetzelve tot een houtwerkerij aan te leggen en de daartoe nodige gebouwen, savanes, en kostgronden te maaken, en alle soorten van houtwaaren in die landen voor handen komende en hem convenieerende te bewerken …..”

Het gebruiksrecht kon ten allen tijde weer worden ingetrokken:

“…..en van dezelve rustelijk en vreedelijk gebruik maaken immers tot ons kennelijk weeder opzegging toe…..”

Het zal duidelijk zijn dat dit een vreemde permissie is. Een houtconcessie van 1000 akkers is aan de kleine kant om commercieel te exploiteren, en bovendien komen in de biri-biri moerassen nabij de zee nauwelijks hardhoutsoorten voor. Hoogstens kon Cameron brandhout produceren voor buurplantages. Cameron bracht de gronden niet zelf in cultuur, maar gebruikte ze voor speculatiedoeleinden, en dat zal wel het werkelijke motief achter de uitgifte zijn geweest.

1817 – verkoop aan E. Conolly

De Ier Edward Conolly (1774-1820) is afkomstig uit Gort in het county of Galway. Hij kocht in 1817 de grond van Cameron voor het bedrag van f3500,-. Cameron had nog niets met de grond gedaan ; Conolly is de aanlegger van de plantage. In 1825 wordt vermeld:

“… dat dit effekt te huidigen dage 179 slaven is hebbende, van genoegzamen kost voor de slaven en van de nodige gebouwen in den besten staat is voorzien, en jaarlijks 200 balen of wel omstreeks 50.000 te katoen is opleverende …”

De naam van de plantage heeft ongetwijfeld te maken met Conolly’s geloofsovertuiging. Conolly was een Ier, en Ieren waren katholiek. Door de naam “Mary’s Hope” wordt dit uitgedragen.
Hoe is Conolly aan het kapitaal en – vooral – de slavenmacht gekomen om de plantage te ontginnen? De afrikaanse slavenhandel was in die tijd reeds verboden. Waarschijnlijk heeft Conolly de slaven vanuit een der Caribische eilanden aangevoerd (dat mocht nog wel), en de rest verworven door locale aankoop. In die tijd werden gehele plantages opgekocht met het uitsluitende doel om ze te liquideren en de slavenmacht naar een nieuwe grond over te brengen. Het is overigens niet bekend of Conolly deze werkwijze heeft gevolgd.

De jonge ingepolderde zeegronden met slappe klei waren perfect katoenland, en de opbrengsten waren hoog. In Suriname werden opbrengsten van 120 tot 150 kg schone katoen per akker bereikt.
Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog ( ) waren de katoenprijzen hoog. Daarna, toen in Amerika de katoenproductie werd hervat, daalde de wereldmarktprijs snel, en kon Suriname uiteindelijk de concurrentie met de Amerikaanse katoenplantages niet meer aan. In 1885 werd de teelt gestopt.
De oogst was wisselvallig, en erg afhankelijk van de jaarlijkse klimatologische omstandigheden. 1825 was het absolute topjaar van de katoenproductie ; men produceerde toen totaal (in geheel Suriname) 1.165 ton. In 1860 was dit slechts 309 ton.

Mary’s Hope lag – net zoals de andere plantages in Coronie – rechtstreeks aan de kust. De inrichting van de plantage zal wel hetzelfde zijn geweest als het naastgelegen Totness. Deze plantage is via een open “zoutwaterkanaal” met de zee verbonden. Dit kanaal diende voor het transport van de producten. In het verlengde ervan ligt het “zoetwaterkanaal” dat is verbonden met de zwampen zuidelijk van het plantagegebied. Dit kanaal was verbonden met het lozingsstelsel in de plantage. In tijde van droogte kon men water van de zwampen aanvoeren, en zo de waterstand in de plantage op het gewenste peil houden. In tijden van wateroverlast werd het overtollige water via kleppen of sluizen op het zoutwaterkanaal geloosd.
De producten werden met een lichter naar de vrachtschepen voor de kust gebracht. De export geschiedde naar de spinnerijen in Engeland.
De achterdam van alle plantages loopt over een zandrits, en hierop werd een brede communicatieweg aangelegd, de z.g. “oude weg” ; thans is dit de Oost-West verbinding.(??). Zuidelijk van deze achterdam zijn de reeds genoemde zoetwaterzwampen.
De periodieke afslag en aanslibbing van de kust veroorzaakte veel problemen. Bij afslag werd het areaal bedreigd, en bij aanslibbing raakten de kanalen verstopt en waren niet meer geschikt voor scheepvaart. Het uitmodderen van de kanalen was een zwaar en voortdurend terugkerend werk. Uiteindelijk gaven de meeste plantages dit werk op, en het kanaal werd nog slechts voor lozing gebruikt. De producten werden over de weg naar Totness gebracht, en aldaar naar zee gebracht via het brede scheepvaartkanaal. Dit werd in 1858 tot dat doel aangelegd door chinese contractanten.

Het belangrijkste gebouw op de plantage was de katoenwerkloods, met menarie, katoenpers, en trapmolens. Teenstra, die de plantage in 1832 bezocht om gegevens te verzamelen voor zijn boek, constateerde dat het verwerkingproces op Maryshope handmatig geschiedde, en niet stoomgedreven zoals op de noorderlijke plantage Perseverance.
De bewerking bestond uit: het drogen van de vrucht op droogvloeren, en vervolgens malen gecombineerd met het scheiden van pluis en pit. Dit laatste gebeurde met een trapmolen. Per plantage waren ongeveer 22 éénpersoons trapmolentjes in gebruik.
Behalve de katoenfabriek waren er diverse bijgebouwen, slavenverblijven, de directeurswoning, en het grote woonhuis van de eigenaar. De directeurswoning is nog steeds op Maryshope aanwezig.

Conolly overleed in 1820 en hij werd begraven op de nieuwe Oranjetuyn. Eveneens daar begraven ligt Edward B. Conolly (?-1846), geboren te New York, mogelijk een zoon ; en Henry Pearly (?-1820), een neef.
Als directeuren op de plantage worden de namen Ch. Currie en T. Green genoemd (in welke jaren is niet bekend).

1825 – toekenning van eigendomswarrand aan de boedel Conolly (2)

Cameron had de grond niet in eigendom, hij had slechts permissie om de grond te gebruiken. Conolly sprak geen Nederlands, en kwam er pas later achter dat de “eigendoms”papieren niet in orde waren. In 1818 diende hij daarom een verzoek in om de inmiddels ontgonnen gronden in eigendom te ontvangen. Pas in 1825, enige jaren na zijn dood, werd het verzoek gehonoreerd.

1843 – boedel E. Conolly

De plantage was in die tijd 1250 akkers groot, en produceerde katoen. De directeur was T. D. Acton, de administrateurs G.L. Roperhoff en E. Conolly.

1854 – boedel E. Conolly (1.3)

Op de plantage werkten 1 vrije arbeider en 154 slaven (151 plantage, 3 privé)
De eigenaren waren: de boedel E. Conolly (6/9), H. Wright en J. Robinson (1/9), de weduwe P. Haynes (1/9) en Th. Green (1/9)
administrateurs: A. Christie (7/9), H. Wright (1/9) en Th. Green (1/9)
directeur: Alan Cameron

1863 – emancipatie

In Coronie werden 1975 slaven geemancipeerd. Er zijn geen gegevens van welke plantages deze afkomstig waren. Bekende familienamen zijn o.a.: Burside, Doorson, Dors, Felter, Fitsjames, Gefferie, Hooplot, Konolie, Mettendaf, Nelson, Rozenblad, Slagveer, Slory, Sylvester, Tolud, Udenhout, Wielzen, Wilsterman, Wijdenbosch, en Wijntuin.

In 1863 was Thomas Green de eigenaar van Maryshope. Hij woonde in Paramaribo, en ontving een bedrag van f 40.800,- + f600,- als “tegemoetkoming”. Omdat per persoon f300,- werd uitgekeerd, betekent dit dat de slavenmacht bestond uit 138 personen.
Green was tevens eigenaar van de plantage Boxel.

Thomas Hugh Green (1799-1876) was geboren te Londen. Hij was gehuwd met Josephina Christina Green, dochter van Philida van Christina van du Maurin. Het gezin woonde (in 1876) aan de Saramaccastraat LEN 12. Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend:
John Fredrik (1837-1906) gehuwd met Sarah Jane van Sirtema
Elenor Adolphina (1841-1877) gehuwd met Charles Rudolph Thurkow
Alexander Edward (1845-1905) gehuwd met Magdalena Spiering
James (1845-1916), gehuwd met Frances Carolina Wilmans
Green was tevens een handelaar in technische materialen, zoals blijkt uit advertenties uit 1857:

“… De ondergeteekende door het huis van de Heeren D COOK & Co., Ingenieurs te Glasgow. Gemagtigd zijnde tot het aannemen van bestellingen van STOOMMACHINES, SUIKER- en andere MOLENS en alle andere soorten van MACHINERIEN, verzoekt de aandacht van gegadigden hierop. – Dit huis sedert lang gunstig bekend, wegens spoed en goed werk waarvan op onderscheidene plantaadjen alhier, de voorbeelden voorhanden zijn, recommandeert zich tevens door goedkoopheid. Iemand hierop reflecterende gelieve zich om nadere informatie te te vervoegen bij den Heer THOMAS GREENE …”

1874 – Oldfield

A. Bossers was pastoor te Coronie, en schrijver van de “kronijken van de R.K. gemeente te Coronie 1823-1875″. In Bosser’s tijd waren er 15 plantages met ongeveer 2400 mensen. Bossers noteert, dat Mary’s Hope in 1872 door de eigenaar Thomas Green was verkocht aan Oldfield, een zwager van een zekere heer Desse, die eveneens geinteresseerd was in de Coroniaanse plantages. Oldfield was tevens deeleigenaar van de plantages Oxford, Kleine Hoop, Sarah, en Leasowes.
Mary’s Hope verkeerde in 1872 in een verwaarloosde staat. Oldfield begon met de aanplant van cocospalmen en cacao, en had een veestapel van 100 stuks. Het was qua bevolkingsgrootte de vierde plantage van Coronie.

1875 – R.K. missie Tot 1875 was de R.K. gemeente gevestigd op de suikerplantage Burnside, aan de rand van het district, eigendom van de heer A. Desse. Weliswaar was Burnside de grootste plantage van het district, maar toch was de ligging niet geschikt om de overige plantages te bedienen, en men zocht naar een centrale plek.

Op 15 december 1874 schonk de heer Oldfield, zwager van Desse en eigenaar van de plantage Mary’s Hope, een stuk grond van 103,5 mtr bij 83 mtr diep, voor de bouw van een school, kerk, en pastorie. Hij verkocht bovendien een zijner huizen aan de missie, die het demonteerde en het materiaal gebruikte voor de bouw. Op 29 augustus van het volgend jaar werd de parochie O.L.Vrouw Onbevlekt Ontvangen ingewijd; zij bestond toen uit een klein kerkje met pastorie. In 1884 was Petrus Donders, 75 jaar jong, er de pastoor.

In Coronie, net als in alle andere delen van het land, groeide de kerkgemeente snel. Op 23 januari 1891 vond daarom de eerste steenlegging plaats van de nieuwe, veel grotere kerk, ontworpen en gebouwd door de “bouwpater” Franciscus Harmes. Op 22 juni 1892 werd deze kerk plechtig ingezegend. In hetzelfde jaar werd een bewaarschool geopend. In 1895 opende de Theresiaschool, en het huis voor de zusters van Roosendaal. De school was onder het zusterhuis. In 1903 werd er wederom druk gebouwd aan een nieuwe pastorie en de Mariaschool. In 1912 bouwde men een nieuw schoolgebouw voor de meisjesschool.

Anno 2003 is pater van Kempen pastoor te Coronie. Deeltijds, want hij is tevens patoor van de Fatimaparochie te Paramaribo. Maar elke 14 dagen is hij in Coronie, waar hij dienst houdt te Mary’s Hope en het kleine kerkje te Burnside. Het kerkje te Welgelegen is niet meer in gebruik. “De gemeente verkleint” zegt van Kempen “de jonge mensen trekken weg naar Paramaribo. Hier is er geen werk voor hen”. Aan de parochiegebouwen is het te zien. De kerk is te groot voor de gemeente, en het zusterhuis en internaat staan leeg. Desondanks onderhoudt Van Kempen het complex met verve. De kerk, met zijn 19e eeuwse statie (wellicht de oudste van Suriname) is nog in prima conditie. Pastorie en zusterhuis eveneens. Het kerkhofje achter de kerk is keurig gemaaid.
En dan zijn er nog de “gewone” dingen die het verhaal interessant maken. Zoals een elliptische gietijzeren waterbak achter de kerk, en een rechthoekige bak eronder (Mirrlees & Tait, Glasgow, 1860). “Coronie is een droog district, soms regent het maanden achtereen niet. Maar bij de kerk konden de mensen altijd water halen. Tot de dag van vandaag gebeurt dat, met name als er problemen zijn met de waterleiding”.
En dan is er nog de bel. De oudste bel van Suriname, gegoten in 1752. “Soli Deo Gloria”, alleen aan God komt eer toe. De bel is zelfs ouder dan de R.K. missie in Suriname, en hij zal al heel wat hebben rondgezworven voordat hij dienst ging doen in het kerkje van Welgelegen. Pater van Kempen bewaart ‘m nu op Mary’s Hope, omdat Welgelegen verlaten is.ca. 1880 – 2003 – de familie Feller

Terug naar het wereldlijk deel van de plantage. Op een gegeven moment – wanneer is schrijver dezes niet bekend – werd de plantage verkaveld en verkocht aan lokale mensen. Mozes Feller, in 1959 gemanumitterd van Sarah, verwierf een kavel in eigendom. Op dit deel stond – en staat nog steeds – het oude directeurshuis. De familie Feller is altijd in Coronie blijven wonen, en Maryshope is nog steeds hun eigendom.

De heer Alex Feller, nazaat van Moses Feller, vertelt, dat het huis nog dateert uit de 19e eeuw. Het is in 1916 ingrijpend verbouwd (het had toen rondgaande galerijen) en nogmaals in 1953. In origine was het een klein huisje, maar is uitgegroeid tot een mastodont met drie etages. Feller geeft aan dat het huis uiteindelijk gesloopt zal worden, het is een familieboedel en het onderhoud is vrijwel onmogelijk.
Tot voor kort lag naast het huis nog een oude cacaodroogvloer met grijze plavuizen. Feller heeft deze zorgvuldig afgebroken en met de plavuizen “spaanse” gestapelde keermuur-tjes gebouwd, waarmee een terrein wordt afgebakend. Op dat terrein wil hij binnenkort een nieuw huis voor zichzelf bouwen, dat niet tot de boedel zal behoren.
Feller bezit de volledige documentatie vanaf de stichting van de plantage.Langzaam maar medogenloos gaat de kustafkalving verder. Zonder maatregelen kan het bewoonde gedeelte van Coronie in 15 a 20 jaar verdwijnen. Een gesprek met Alex Feller leidt al gauw tot een discussie over de oeverbescherming. Hij is lid van het Actiecomite Herstel Noorder-Coroniepolders. In die hoedanigheid heeft hij het systeem jarenlang onderzocht, en heeft er een interessante visie over.
Centraal in zijn visie is het behoud van het brakwater-ecosysteem voor de kust, de z.g. estuarienne. Het is het gebied waar het zoute zeewater en het zoete zwampwater elkaar ontmoeten. Daar groeit de mangrove, die met zijn wortelstelsel het slib uit het water opvangt en doet bezinken. Het slib, het bouwmateriaal van de Surinaamse kust, wordt door de amazonerivier in de oceaan gestoten en bereikt met de Guyana-stroom ons land. Op deze wijze wordt al millenia lang de kust gevormd.
Het is de mens die dit ecosysteem verstoort. Omstreeks 1960 werd de Oost-West verbinding aangelegd, die met name in het westen van Coronie een harde scheiding vormde tussen zee en zwamp. Het zoetwater kon de zee niet meer bereiken, en het brakwatersysteem verdween. Daarmee verdween ook de mangove, het slib werd niet langer vastgehouden, en de kustafslag versneld.
In het plantagegebied van Coronie viel de schade mee, want de oude plantagekanalen spuiden het zwampwater nog steeds op zee. Voorwaarde was wel dat men de kanalen onderhield, anders liep Coronie in de regentijd vol met zwampwater, zoals nogal eens is geschied. In 1977 dacht men de oplossing voor deze periodieke overlast te hebben gevonden: achter de oude plantages werden nieuwe rijstpolders aangelegd. Deze werden van de zoetwaterzwampen gescheiden door een flinke dam, de z.g. lekbeteugelingsdam. Coronie was nu bevrijd van overlast en kon bovendien rijst produceren, zo dacht men. Maar de dam is meerdere malen doorgebroken, er verzamelt zich immers een gigantische hoeveelheid zwampwater achter de dam, en deze heeft geen overlopen. En verder werd het brakwatersysteem langs de kust verstoord. De mangrove ging dood en de natuurlijke bescherming van de oever verdween. En er gebeurde nog een derde ding: De nieuwe rijstpolders kregen voldoende water, maar aan een extra bevloeiingssysteem voor de oude plantagepolders had niemand gedacht. Deze werden ongeschikt voor landbouw.
Feller ondersteunt zijn verhaal met kaarten. Hij bezit oude kaarten van het district. In 1810 was de zee zo’n 500 meter verwijderd van de weg. In 1858 werden door chinese arbeiders de plantagekanalen uitgediept, waardoor meer zoetwater de kust kon bereiken. Enkele jaren later volgde een sterke aangroeiing der kust, wel 2 kilometer. Maar vanaf circa 1900 is er weer een afkalving. Volgens Feller komt dit omdat de kanalen weer dichtslibden. Het is een interessante theorie. Maar zijn er geen andere verklaringen voor de grote aanslibbing van de jaren 1870 ? Het gedrag van de modderbanken voor de kust bijvoorbeeld ?

Feller benadrukt in ieder geval het belang van maatregelen, die met de natuur meewerken in plaats van er dwars tegenin te gaan. “…En uit het rapport Climate Change blijkt dat als we niet snel geeigende maatregelen treffen, Coronie over 25 jaar niet meer zal bestaan. En als Coronie verdwijnt, is het onze eigen schuld….”

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – Heckers, A.A
het district Nickerie, geographische aanteekeningen en geschiedkundig overzicht, met kaarten
1923, stoomdrukkerij van Ommeren, Paramaribo ; opnieuw uitgegeven 1979.

1.2 – Schalken, A.C.
historische gids 300 jaar R.K.gemeente
1985.

1.3 – C.A. van Sijpesteijn
Beschrijving van Suriname. Historisch-, geographisch- en statistisch overzigt, uit officiele bronnen bijeengebragt.
‘s-Gravenhage, 1854

2 – eigendomsbewijzen 1815-1825

Zoals aanwezig in het archief van de Dienst der Domeinen, Paramaribo. Anno 2003 werd dit archief overgebracht naar het Landsarchief aan de Doekhieweg.

1815 – Permissiebrief voor lot no. 225 (226 is identiek):
Permitteeren bij deezen aan Alexander Cameron planter deser colonie omme op de west kust van de rivier Coppename in s’ lands bosschen ter plaatse alwaar de landen door niemand nog geoccupeerd worden, te mogen occupeeren een perceel land die in ‘t vervolg genommerd zal worden met de nombre van 225 ter groote van 500 akkers met een face van 30 kettingen ; welk hij gehouden zal zijn ten zijnen kosten te limiteeren en ons daarvan met den allermeesten spoed immer binnen drie maanden doen blijken ; hetzelve tot een houtwerkerij aan te leggen en de daartoe nodige gebouwen, savanes, en kostgronden te maaken, en alle soorten van houtwaaren in die landen voor handen komende en hem convenieerende te bewerken en transporteeren ; waarvoor hij aan de cassa van s’ lands Taxes jaarlijks en beginnende van heeden zal moeten betaalen de somma van 125 guldens ; en verders nakomen zodanige order opzigtelijk de commandos en andere burgerdiensten waaronder alle de perceelen landen in dat district sorteeren ; voorts zal hij copie authenticq van deeze onse permissie brief aan den ontvanger van ‘t comptoir der land Taxes ter hand stellen ; en van dezelve rustelijk en vreedelijk gebruik maaken immers tot ons kennelijk weeder opzegging toe.
Gegeven onder ons handtekening en zegel alhier aan Paramaribo dezen 16 februarij 1815 en in ‘t 55ste jaar zijner majesteits regering
/ was getekend / P: Bonham
/ onderstond / ter ordonnantie van sijn excellentie
/ en getekend / J: Martijs gouvernements secretaris
neffens appositie van ‘t zeegel van den Heer Gouverneur in een roode ouwel met een papiere Star overdekt
Na gedaane collatie is deze met sijn original bevonden te accordeerd
J: Comvalius gesw: clercq

1817 – meetkaart landmeter Camp
Ik ondergeteekende geadmitteerd landmeeter dezer colonie verklaare gemeten te hebben voor den heere S: van Thol 1000 akkers land gelegen aan de zeekust tusschen de rivieren Copename en Nickerie op de generaale kaart bekend onder de nummers 225 en 226 volgens de hieraan geannexeerde figuur Suriname den 1 september 1817
H: F: Camp

1818 – request van Conolly
Geeft met verschuldigd respect te kennen E: Canollij planter en ingezeten deze kolonie
Dat de suppliant door de gunstig en wel geslaagde ondernemingen van onderscheiden planter die nieuwe landen gelegen aan de zeekust tusschen de rivieren Copename en Corentijn tot de culture van katoen hebben ontgomen zijnde uitgelokt hij suppliant heeft omgezien om aldaar een geschikt terrijn door koop deelachtig te worden
Dat hierin nader suppliant inziens wel geslaagt zijnde door den aankoop van twee perceelen bekent onder de no. 225 en 226 oorspronkelijk door den destijds gouverneur P: Bonham in dato 16 februaij 1815 aan Alexander Cameron verleend
Dat den suppliant ten gevolge dezer acquisitie dadelijk met het (niet leesbaar) die twee perceelen een aanvang gemakt heeft en daartoe heeft aangekogt een aantal slaven die al noch met de culture voortvaren en hem een goed vooruitzigt opleveren om in tijd en wijlen zijne (niet leesbaar) gedaan uitschotten met voordeel te acouveren
Dat den suppliant die de hollandsche taal niet machtig is en alzo het hem ter hand gesteld bewijs ter goede trouwe en als volledig heeft aangenomen tot zijn uiterst leedwezen door bekome informatien is ontwaar geworden dat het instrument het welk hij als een volkomen en legaal bewijs van eigendom had vermeent te kunnen en beschoven slegts bestaat in een tijdelijke permissie onderhevig om ten allen tijden door het gouvernement te kunnen worden opgezet welk ongevestigde bezitting hem alzo in zijn vooruitzigten alle na de(niet leesbaar) zijn kan
Dat den suppliant zich nogthans met de hoop durft vlijen dat de hier vooren aangevoerd omstandigheden bij U: Hoog Ed: Gest: in gunstige aanmerking zullen genomen worden en dat door hogst deszelfs gezag of welwillende tusschen komst hem suppliant een beter en meer gevestigd recht to het gemelde invoegen voorschreven aan hem verkogt land waar aan hij reeds zulk enorm kosten vlijt en arbeid heeft besteed zal worden toegekendt
Dat de suppliant de vrijheid neemt aan U: Hoog Ed: Gest: te observeeren dat hij buiten de reeds aangehaalde uitgaven ten behoeven de twee gem: perceelen land daaraan boven gedurende zijn bezit van dezelve de jaarlijksche recognitien aan de lande heeft voldaan
Om alle welke redenen den suppliant is te raden geworden zich eerbiedig tot U: Hoog Ed: Gestr: te wenden met verzoek dat het U: Hoog Ed: Gestr: moge behagen aan den suppliant voor de twee door hem van Alex Cameron gekogt perceelen land bekend onder de no. 225 en 226 gelegen als voren te willen verlenen warranden in de gewone forma en bij aldien U: Hoog Ed: Gestr: het geraden mogte oordelen alvoren op dit zijn verzoek definitiefte disponeeren hetzelve ter kennisse van zijn excell: den heer ministrie voor de kolonien te moeten brengen dat het in dat geval U: Hoog Ed: Gestr: moge welbehagen zulks te vergezellen met hoogst deszelfs gunstige consideratien en veel vermogen de voorschrijving
‘t welkdoende
Paramaribo den 31 december 1818

1825 – request boedel Conolly
Geven met verschuldigden eerbied te kennen Richard O’ Ferrall senior, Richard O’ Ferrall junior en F: P: Parrij de laatste als gesubstitueerd door den uitlandigen Alex: Ferrier en alzo te zamen executeuren in den boedel en nalatenschap van wijlen Edward Conollij binnen deze kolonie overleden
Dat tot den boedel van evengenoemden Edward Conollij is behoorende de plantage Marijshope bestaande uit twee perceelen op de generale schetskaart bekend onder no. 225 en 226 te zamen groot 1000 akkers gelegen tusschen de plantage John en Gloucester aan de zeekust dezer kolonie tusschen de rivieren Coppename en Corrantijn
Dat dezelve twee perceelen door den gouverneur Pinson Bonham op den 16 februarij 1815 bij permitten no. 2 en 3 tot kennelijke wederopzegging toe zijn verleend geworden aan nu wijlen Alexander Cameron
Dat deze Alexander Cameron dezelve perceelen in 1817 zonder aan dezelver culture nog iets te hebben gedaan voor de som van drie duijzend vijfhonderd gulden sur. kourant heeft verkocht aan voornoemden Edw: Conollij die onmiddelijk is overgegaan om dezelve tot eene katoen plantage onder den naam van Marijshope aan te leggen zodanig dat dit effekt te huidigen dage 179 slaven is hebbende van genoegzamen kost voor de slaven en van de nodige gebouwen in den besten staat is voorzien en jaarlijks 200 balen of wel omstreeks 50.000 te katoen is opleverende
Dat Edward Conollij een engelschman welke ondanks zijn veel jarig verblijf in deze kolonie van de hollandsche taal niets verstond bij het sluiten van den koop der voormelde twee perceelen van voornoemden Alexander Cameron als volledige grondbrieven heeft ontvangen de hiervoren vermelde twee permitten, zodat hij kooper wezenlijk te goeder trouw in den waan verkeerde dat hij volledige bewijzen van eigendom had
Dat hij echter eenigen tijd daarna en wel op het laatst van het jaar 1818 als wanneer hij reeds zeer belangrijke kosten aan de bebouwing der voormelde twee perceelen besteed had vernomen hebbende dat hij het bezit derzelve twee perceelen slechts bij permitten had en telken oogenblikke daaruit gesteld kon worden, zich bij requeste aan zijne excellentie den heere gouverneur generaal ad interim heeft gewend tot obtein van waranden voor dezelve twee perceelen.
Dat het nu voor den boedel Conollij van veel belang is zo wel om legaal transport derzelve twee perceelen van den boedel Cameron te ontvangen als om het bezit derzelve verzekerd te zien door eenen grondbrief overeenkomstig het model gevoegd aan zijner majesteits besluit van den 20 december 1820 no. 46 waartoe ook de supplianten qq zich bereids voorlopig hebben aangemeld voor den 23 julij laatstleden zijnde het tijdstip vastgesteld bij uwer excellenties publikatie van den 23 februarij a.p. gouvernementsblad no. 3
Dat de supplianten qq zich evenwel vleijen bij verkrijging eens nieuwen grondbriefs te mogen aanspraak maken op dispensatie:
a. Van de betaling der f 3.000,- surinamsche kourant per lot bepaald bij art 1 des koninklijken besluits en bij art 2 van den grondbrief voormeld
b. Van het eerste gedeelte van art 3 des grondbriefs bepalende gedurende twee jaren en wel het vierde en vijfde der uitgifte de betaling eener jaarlijksche recognitie a 25 stuivers per akker
c. Van den geheelen inhoud van art 5 des grondbriefs immers voor zo ver betreft het transport door Alexander Cameron of wel nu diens en boedel ten behoeve van den boedel Conollij nu te passeren
Zijnde de suppliant qq daar en tegen bereid om bij voortduring over de 1000 akkers der plantage Marijshope te betalen eene jaarlijksche recognitie a vijf stuivers per akker als gelijkstaande aan de belasting bij de voormelde permitten bepaald a f 125,- per 500 akkers
Dat de supplianten qq het verzoek om evengemelde dispensatien gronden op het volledig bewijs door Edward Conollij gegeven, dat hij de voormelde twee perceelen niet heeft aangekocht om daarmede te speculeren maar wel om dezelve tot eene vooname plantage aan te leggen waardoor ook het gouvernement bereids veel voordeel heeft genoten
Op de hardheid welke voor den boedel Conollij er in gelegen zoude zijn dat hij te goeder trouw gekocht en den koopschat betaald hebbende en na bereids aan den lande zeer veel voordeel te hebben toegebragt nu met nieuwe lasten bezwaard zoude worden te meer daar die eigenlijk van den verkooper Alexander Cameron veeleer dan van den boedel Conollij zouden kunnen gevergd worden
De supplianten qq zich vleijende dat deze consideratien uwe excellentie voldoende zullen voorkomen tot ondersteuning van hun verzoek bij zijne majesteit, hebben zich gemunieerd van een certifikaat door den landmeter Mabe op heden relatief voormelde twee perceelen in triplo afgeven en hetwelk benevens een certifikaat van de ontvangers der onderscheidene landskantoren ten blijke dat wegens de plantage Marijshope aan den lands niets achterstalligs verschuldigd is zo wel als eene kwitantie de dato 12 december 1823 ten bewijse dat op den verkoop door Alexander Cameron aan Edward Conollij de drie percent transportgeregtigheid voldaan is de supppplianten qq reverentelijk hierbij overleggen
En zijn mitsdien de supplianten qq zich keerende tot U: Hoog Edele Gestr: eerbiediglijk verzoekende dat het uwe excellentie behage
1. Het certifikaat van den landmeter Mabe voormeld als ook de daarbij vermelde en overgelegde kaart van uitmeting door wijlen den landmeter H: F: Camp op den 1 september 1817 in triplo vervaardigd te approberen
2. Voor de plantage Mariijshope voormeld van zijne majesteit te verzoeken eenen grondbrief met de dispensatien voorschreven en dat verzoek door U: Hoog Edele Gestrenge gunstige consideratien te ondersteunen
3. Inmiddels en in afwachting van zijner majesteits eventuele dispositie aftezien van het regt van naasting op den voormelden door nu wijlen Alexander Cameron aan mede nu wijlen Edward Conollij gedanen verkoop zijnde de supplianten qq bereid om zich des vereischt bij de te hunnen behoeve te passeren akte transport te verbinden tot de volle nakoming van ‘s konings eventuele dispositie en tot verzekering daarvoor de plantage Marijshope cum anexis speciaal verbonden en exectabel te stellen
‘t welkdoende
J: G: Ringelin
Paramaribo den 26 februarij 1825

1825 – gouvernementsresolutie
Gelezen het request van Richard O’ Ferrall senr:, Richard O’ Ferrall junr: en J: B: Parrij de laatste als gesubstituurd door den uitlandigen Alexander Ferrier en alsoo te zamen executeuren in den boedel en nalatenschap van wijlen Edward Connollij binnen deze kolonie overleden, daarbij te kennen gevende, dat tot den boedel van evengenoemde Edward Conollij is behoorende de plantage Marijhope bestaande uit twee perceelen op de generale schetskaart bekend onder no. 225 en 226 gelegen tusschen de plantage John en Gloucester aan de zeekust dezer kolonie tusschen de rivieren Coppename en Corantijn.
Dat dezelve twee perceelen door den gouverneur Sinson Bonham op den 16 februarij 1815 bij permitten 2 en 3 tot kennnelijke wederopzegging toe zijn verleend geworden aan nu wijlen Alexander Cameron.
Dat deze Alexander Cameron dezelve perceelen in 1817 zonder aan derzelver culture nog iets te hebben gedaan voor de som van 3500 gulden surinaamsche kourant heeft verkocht aan voornoemden Edward Conollij die onmiddelijk is overgegaan om dezelven tot eene katoenplantage onder den naam van Marijshope aan te leggen.
Dat het nu voor den boedel Conollij van veel belang is zowel om legaal transport derzelve twee perceelen van den boedel Cameron te ontvangen, als om het bezit derzelve verzekerd te zien door eenen grondbrief overeenkomstig het model gevoegd aan zijner majesteits besluit van den 20 december 1820 no. 46.
Mitsdien om aangevoerde redenen verzoekende dat het ons behage:
1. Het ten requeste overgelegde certifikaat door den landmeter Mabe op heden relatief de twee perceelen of wel de plantage Marijshope voormeld en de daarbij vermelde en mede overgelegde kaart van uitmeeting door wijlen den landmeeter H: F: Camp op den 1 september 1817 in triplo vervaardigd te approberen.
2. Voor de plantage Marijshope voormeld onder onze gunstige voorschrijving van zijne majesteit te verzoeken eenen grondbrief overeenkomstig het model gevoegd aan zijner majesteits besluit van den 20 december 1820 no. 46 en zulks met de ten requeste omschreven dispensatien.
3. Inmiddels en in afwachting van zijner majesteits eventuele dispositie onder de ten requeste voorgestelde bepaling aftezien van het regt van naasting op den voormelde door nu wijlen Alexander Cameron aan voornoemden Edward Conollij gedanen verkoop.
Gezien het certifikaat en de kaart van de landmeeters Mabe en Camp voormeld en gelet op de bij hetzelve certifikaat gerelateerd bijzonderheden.
Gelet op ‘s konings besluit van den 20 december 1820 no. 46 en op de ministerieele aanschrijving van den 11 februarij daaraan volgende no. 5/8.
Gelet op onze publiekatie van den 23 februarij des vorigen jaars gouvernements blad no. 3 naar aanleiding der ministerieele resolutie van den 26 september te voren no. 7/61.
Gelet dat de suppliant qq zich overeenkomstig evengemelde onze publikatie voor den 23 julij a.p. ter gouvernements secretarij hebben aangemeld ter verkrijging eens grondbriefs.
Gelet dat ter gouvernements secretarij consteert dat Ed: Conollij zich bij request dd 31 december 1818 aan den heer gouverneur generaal ad interim heeft geadresseerd gehad, daarbij te kennen gevende door zijne volstrekte onkunde in de hollandsche taal de voormelde twee permitten van den heer gouverneur Bonham als volkomen legale bewijzen van eigendom van Alexander Cameron te hebben aangenomen en mitsdien verzoekende dat de heer gouverneur generaal ad interim hem zoude gelieven te verleenen eenen nieuwen grondbrief of het verzoek tot verkrijging daarvan onder gunstige voorschrijving aan het ministerie zoude voordragen.
Gelet dat wegens de plantage Marijshope aan de onderscheidene landskantoren niets achterstalligs verschuldigd is en dat op den voormelden koopschat van 3500 gulden de drie percent transportgeregtigheid op den 12 december 1823 door de supplianten qq is voldaan.
Hebben goedgevonden en verstaan.
1. Het certifikaat en de kaart van de landmeeters Mabe en Camp voormeld te approberen zoals wij dezelve apprberen bij deze.
2. Aan de supplianten qq te kennen te geven zoals wij doen bij deze, dat wij hun voormeld verzoek om eenen grondbrief met de ten requeste omschrevene dispensatien aan zijne excellentie den heere minister voor de nationale nijverheid en de kolonien zullen voordragen om door hoogst deszelfs intermediair zijner majesteits dispositie te erlangen.
3. Inmiddels en in afwachting van zijner majesteits eventuele dispositie aftezien zoals wij afzien bij deze van het regt van naasting op den voormelden door Alexander Cameron aan Edward Conollij gedanen verkoop van de meergemelde perceelen no. 225 en 226, zulks nogtans onder bepaling dat de supplianten qq bij de te kunnen behoeve te passeren akte transport zich uitdrukkelijk verbinden tot de volle en stipte nakoming van zijner majesteits eventuele dispostie, en tot zekerheid waarvoor de plantage Marijshope cum annexis blijft verbinden en executabel.
4. Een extrakt dezer te doen uitreiken aan de supplianten qq tot hun narigt, zullende daaraan worden en provisioneel blijven geannexeerd de kaart, de permitten, en het certifikaat voormeld.
A: de Veer
ter ordonnantie van zijne excellentie de secretaris van het gouvernement
J: G: Ringeling

1825 – meetcertifikaat landmeter Mabé
Certificaat
Relatief de plantage Marijshope bestaande uit de perceelen bekend op de generale schetskaart onder no. 225 en 226 gelegen aan de zeekust dezer kolonie tusschen de rivieren Coppename en Corrantijn en wel tusschen de plantagien John en Gloucester
1. Deze plantage of wel de twee voormelde perceelen zijn door den gouverneur Pinson Bonham op den 16 februarij 1815 bij permitten no. 2 en 3 tot kennelijke wederopzegging toe verleend aan nu wijlen Alexander Cameron ; dezelve permitten zijn aanwezig in het archief ter gouvernements secretarij en wel in het waranden prothocol no. 10 fo. 60 en 61
Voor deze plantage wordt al nu eene warand verzocht door beheerderen van den boedel van wijlen Edward Conollij die de voormelde twee perceelen van nu wijlen Alexander Cameron gekocht heeft – de verzochte warand kan zonder prejudice van iemand aan de verzoekers worden verleend
2. De kaart ten dezen overgelegd is in triplo getekend door den landmeter H: F: Camp den 1 september 1817 dezelve evenwel nog niet geapprobeerd zijnde wordt alzo ter approbatie hierbij overgelegd
3. Deze plantage is groot 1000 akkers met eene face van 60 kettingen de oostzijlijn ter lengte van 159 1/6 kettingen en de westzijlijn van 167 1/6 kettingen
Aldus gedaan en in triplo afgeven alhier aan Paramaribo den 26 februarij 1825
de geadmitteerde rooijmeester
Mabe
geapprobeerd bij resolutie van zijne excellentie den heere generaal majoor gouverneur der kolonie Suriname van zaterdag den 26 februarij 1825 no. 60 de secretaris van het gouvernement
J: G: Ringeling

Comments are closed.