Ingi kondre

June 17th, 2009

Opperdistrict Nickerie, lot 236-237
volgorde der plantages: (van oost naar west)
Inverness (Ingi kondre) – Hamilton – Welgelegen – Moy – Perseverance – Maryshope – Totness – Friendship – Bantaskine – John – Bella drum – Johanna Maria – Groot en klein Novar – Clyde (Salem) – Leasowes – Sarah – Burnside

Auteur: Philip Dikland, 2004.

chronologie:

1817 – S. Van Thol (lot no. 231 t/m 236)

In 1817 werden de 5 aaneengesloten percelen no’s 231 t/m 236 uitgegeven aan S. Van Thol. Deze heeft de landen echter niet gecultiveerd. In 1825 retourneerden de erfgenamen van Thol de landen aan het gouvernement.

1825 – William Moore ; William MacIntosh

Moore en MacIntosh vroegen de ongecultiveerde gronden 236 en 237 aan voor het kweken van producten en kost. In 1832 (Teenstra) was er een katoenplantage aangelegd.

1843 – William MacIntosh (almanak 1843)

De katoenplantage Inverness had een slavenmacht van 70 mensen. De concessie was 500 akkers groot, dat was dus maar 1 van de 2 percelen. P. Cameron was de plantagedirecteur, en A. MacIntosh verzorgde de administratie. William MacIntosh bezat geen andere plantages, maar de administrateur A. MacIntosh – ongetwijfeld een familielid – was eigenaar van de plantages Totness en Friendship.

1854 РA. Dess̩ (v. Sijpesteyn)

A. Dessé was de eigenaar en tevens de administrateur. De slavenmacht omvatte 59 slaven, en verder was er 1 vrije arbeider. D.M. Heymans was de directeur van de plantage.

1863 – emancipatie

De plantage Inverness wordt niet genoemd in de emancipatieregisters.

1908 – onbekend (almanak 1908 – 1909)

De plantage komt niet voor in de almanakken van 1908 en 1909, en was vermoedelijk allang verlaten.

2004 – de monumenten

ingi-kondre-km-1271-2003-10-04-02-klein


De plantage heet niet langer Inverness, maar wordt nu “Ingi kondre” genoemd. Klaarblijkelijk was er een indianendorp in de buurt. Ingi kondre heeft nog 1 aardig traditioneel huisje, verder zijn er daar geen noemenswaardige sporen van het verleden.

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – encyclopedie Nederlandsch West-Indie – 1917
p.229 gegevens Coronie

1.2 – Andre Loor
Verbonden, suriname en DSB, 1865-1990 – uitg. DSB, 1990

1.3 – C.A. van Sijpesteijn
Beschrijving van Suriname. Historisch-, geographisch- en statistisch overzigt, uit officiele bronnen bijeengebragt. ‘s-Gravenhage, 1854

2 – archief Dienst der Domeinen, Paramaribo

1825 – Certifikaat lot no. 236 (Inverness, naast Hamilton)
Certificaat
Relatief het perceel land bekend onder op de generaal schetskaart onder no. 236 gelegen aan de west zeekust dezer kolonie tusschen de rivieren Coppename en Corrantijn.
Dit perceel land is – blijkens mij ter hand gekomene origineele stukken – met bijvoeging der naast gelegene perceelen no. 235, 234, 233, 232, 231 in den jare 1817 ingevolge authorisatie van destijds gouverneur generaal ad int: uitgemeten door den landmeter H: F: Camp ten verzoeke van S: van Thol, doch van deze preferentie op de perceelen is door F: W: Faerber qq als beherende den boedel van wijlen genoemde S: van Thol afstand gedaan, kunnende hetzelve perceel zonder prejudice van iemand aan W: Moore en Mac Inthosch welken hetzelve in allodialen eijgendom verlangen op te nemen worden verleend.
De kaart door mij op heden in duplo van dit perceel land geformeerd is figuratief, moetende hetzelve dus bij het verkrijgen van een warand worden gemeten ten einde daarvan te formeeren kaarten ter approbatie.
Dit perceel land heeft den inhoud van 500 akkers met eene face van 30 kettingen en alzo ter gemiddelde diepte van 166 2/3 kettingen.
Aldus gedaan en in triplo nafgegeven alhier aan Paramaribo den 17 meij 1825
De geadmitteerde landmeter.
Geapprobeerd bij resolutie van zijne excellentie den heere generaal majoor gouverneur der kolonie Suriname van dingsdag den 17 meij 1825 no. 170
de secretaris van het gouvernement

1825 – request no. 236.
Geeft met verschuldigden eerbied te kennen Willm: Moore en William Mac Intosh beiden geboren in Schotland thans inwoners en planters binnen deze kolonie in het opperdistrikt Nickerie de eerste sedert den jare 1819 en de tweede sedert den jare 1817.
Dat zij supplianten gaarne wenschten te verkrijgen den allodialen eigendom en het erffelijk bezit van het onbegeven perceel land gelegen aan de west zeekust dezer kolonie tusschen de rivieren Coppename en Corentijn bekend op de generale schetskaart onder no. 236 en dat wel ter cultuur van producten en kost.
Dat zij supplianten tot dat einde met eerbied zijn overleggende certifikaat en kaart figuratief door den landmeter Mabe relatief het zelve perceel opgemaakt en daarbij van uwe excellentie verzoekende.
1. Om van zijne majesteit voor hun supplianten te verzoeken den allodialen eigendom en het erffelijk bezit van voormeld perceel en eenen grondbrief daarvoor overeenkomstig het model gevoegd aan zijner majesteits besluit van den 20 december 1820 no. 46 en zulks onder de bepalingen daarbij ten opzichte van nieuwe concessien ter cultuure van producten vastgesteld.
2. Om hen supplianten te permitteren om inmiddels en onder afwachting van Z: M: eventuele dispositie het voormeld perceel in bewerking te nemen te hunnen pericule en onderzodanige bepalingen als uwe excellentie zal goedvinden voor den eventuelen tusschen tijd daar te stellen
‘t welkdoende
Paramaribo den 17 mei 1825

1825 – request no. 236 en 237 (engelse versie).
That your petitioners who reside in the upper district of Nickerie are deserious to obtain permission to cultivate the lots of land nos 236 & 237 adjoining the plantation Hamilton in said district, which lots at present belong tot gouvernement and are in an uncultivaled state, to obtaine which theij will gladly comply with the terms stipulated bij his gracious majesteij the king of the Netherlands in his decree passed at brussels on the 20 december 1820, namely to pay three thousand guilders colony money for each of the said lots of land in three equal instalments from the crops of the estate as they may come round.
Your petitioners humbly submit that it woud be much for the interest of gouvernement to comply with this their request as the said lots of land in their present uncultivated state bring nothing into the public tresury whereas should your excellency be pleased to grant a favourable appointment on this our humble petition the lots of land in question will soon be brought into a state of cultivation and of cause yield to the gouvernement a proportionale revewe
In the hope therefore that your excellency will be pleased to give early and favourable consideration to our humble request for which your petitioners anxiously await, that they maij be enabled to commence the cultivation … your petitioners as in duty bound will ever praij &
William Mac Intosh
William Moore
Suriname 1 januarij 1825

Suriname 22 augustus 1825
W: Mac Intosh
W: Moore
I beg leave to inform you that the estate of te late S: van Thol es: hold no claim whatever to the lot of land no. 236 on the Nickerie sea coast:
your most ab: se:
W: Faerber

1825 – resolutie no. 236
Gelezen het requeste van Willm: Moore en William Mac Intosh beide geboren in Schotland, thans inwoners en planters binnen deze colonie in het opperdistrict Nickerie – de eerste sedert den jare 1819 en de tweede sedert den jare 1817 – dd heden, daarbij te kennen gevende hun verlangen tot het verkrijgen van den allodialen eigendom van een zeker stuk land gelegen aan de west zeekust dezer colonie tusschen de rivieren en Coppename en Corantijn bekend op de generale schetskaart onder no. 236 en dat wel ter cultuur van producten en kost.
Mitsdien met overlegging van een kaart figuratief en certifikaat relatief voormeld perceel land door den landmeter Mabe opgemaakt van ons verzoekende
1. Om van zijne majesteit voor hun supplianten te verzoeken den allodialen eigendom van voormeld perceel en eenen grondbrief daarvoor overeenkomstig het model gevoegd aan zijne majesteit besluit van den 20 december 1820 no. 46, en zulks onder zodanige bepalingen als daarbij ten opzichte van nieuwe concessien ter cultuur van producten bepaald zijn.
Hun requestranten te permitteren om inmiddels en in afwachting van zijner majesteits eventuele dispositie het voormeld perceel in bewerking te nemen ten hunnen pericule en onder zoodanige bepalingen als wij zullen goedvinden voor den eventuele tusschen tijd daar te stellen.
Gelet op ‘s konings besluit vorengemeld en op de ministerieele aanschrijving ten aanzien concessien van nieuwe gronden.
Gezien de voormelde kaart figuratief en gelezen het certifikaat van den landmeter Mabe voormeld waaruit blijkt dat de uitgifte van voormeld perceel aan de supplianten tot prejudice van niemand kan strekken.
Hebben goedgevonden en verstaan.
1. Het certifikaat van den landmeter Mabe te approberen zoals wij het zelve approberen bij deze.
2. Aan de supplianten te kennen te geven zoals wij doen bij deze dat wij hun lieden voorsz: verzoek om den allodialen eigendom van en om eenen grondbrief voor voormeld perceel ter erlanging van zijner majesteits dispositie aan zijne excellentie den heere minister voor de nationale nijverheid en de kolonien zullen voordragen.
3. Inmiddels en in afwagting van zijner majesteits eventuele dispositie de supplianten te permitteren zoals wij doen bij deze, om voormeld perceel ten hunnen pericule in bewerking te nemen zulks nogthans onder deze bepaling dat ingeval het zijne majesteit behagen mogt der supplianten voorsz: verzoek niet te accorderen de supplianten gehouden zullen zijn om van de vijfhonderd akkers waarop dit stuk land wordt begroot te betalen ten kantore der gemene weide en landstaxen eene recognitie van twee stuivers per akker in het jaar te rekenen van den dag van heden af, tot dien dag tot waarop ‘s konings dispositie ter kennis van het gouvernement dezer kolonie zal komen.
4. Een afschrift dezer te doen uitreiken aan de supplianten tot hun narigt.
Zullende daaraan worden en blijven geannexeerd de kaart figuratief en het certifikaat van den landmeter Mabe voormeld.
A: de Veer
ter ordonnantie van ziijne excellentie de secretaris van het gouvernement
J: G: Ringeling

Comments are closed.