Bantaskine

June 17th, 2009

katoenplantage Bantaskine

Opperdistrict Nickerie, lot 221
volgorde der plantages: (van oost naar west)
Inverness – Hamilton – Welgelegen – Moy – Perseverance – Maryshope – Totness – Friendship – Bantaskine – John – Bella drum – Johanna Maria – Groot en klein Novar – Salem – Clyde – Leasowes – Sarah – Burnside

Auteur: Philip Dikland, 2004.

chronologie:

1801 – J.P. Slengarde (lot no. 223)

In 1797 – 1802 vonden de grote uitgiftes aan de Saramacca en de zeekust plaats. Lot 221 was uitgegeven aan J.P. Slengarde van Demerary. Slengarde heeft de grond echter nooit gecultiveerd, en verkocht deze in 1818 aan William Robertson.

1818 – William Robertson (archief dienst der domeinen)

In 1818 verkocht J. Slengarde lot no. 221 aan A. Cameron ; Cameron was slechts een tussenpersoon en transporteerde de grond onmiddelijk aan William Robertson.
Robertson is de werkelijke aanlegger van de plantage :
“… en welk perceel land is aangelegd tot eene katoen plantage genaamd Bantaskine en waarop zich bevinden behalve de vereischte suffisante gebouwen een aantal van 87 koppen slaven, zijnde dit perceel land door voornoemden William Robertson in cultuur gebracht en van slaven en gebouwen voorzien …” (request 1824)

1821 – W. Robertson (almanak 1821)

Op Bantaskine (lot no. 221) werd katoen gekweekt. De naastliggende grond Friendship (lot no. 222) was van dezelfde eigenaar. De eigenaar W. Robertson beheerde de plantages zelf.

1824 – verkoop (archief dienst der domeinen, Paramaribo)

In 1824 was William Robertson overleden. De plantage werd door de executeur van de boedel James Robertson verkocht aan James Fowers en James Barclay te Glasgow en James MacPherson te Rotterdam. De kopers werden in Suriname gerepresenteerd door Colin Campbell jr. Waarschijnlijk werd Friendship eveneens verkocht, maar dat is slechts een vermoeden, de betreffende archiefstukken zijn niet gevonden.
In 1832 was Bantaskine een katoenplantage ; tevens was een chirurgijnsetablissement gevestigd ; Friendship werd niet gecultiveerd (Teenstra).

1843 – aan plantage Friendship (almanak 1843)

De buurplantages Totness (1000 a.), Friendship (500 a.), en Bantaskine (1000 a.) behoorden alle aan dezelfde eigenaar, Alexander Macintosh. Macintosh administreerde de plantages zelf. G. Cruden was de directeur. Totness was een kweekgrond, terwijl op Bantaskine en Friendship katoen werd gekweekt.
De familie Macintosh had nog meer zaken in het Opperdistrict. Ene W. Macintosh was de eigenaar van de plantage Inverness, en voorts administrateur van de plantages Bellevue, John, Clyde, Leasowes en Oxford.

1854 – erven J. Robertson en J.M.V. van Onna (v. Sijpesteyn)

De buurplantages Bantaskine en John/Wilsingdale vormden samen 1 productieunit. Katoen was het product. Er waren 105 slaven plus 1 vrije arbeiders. Eigenaar en administrateur was A. Macintosh. De directeur op de plantage was M. Egan.

1863 – emancipatie

De emancipatiegegevens van de plantage moeten nog nader worden uitgezocht. Na de emancipatie werden geen hindustaanse of javaanse contractarbeiders geworven.

1889 – boedel A. Macdonald (almanak 1889)

De buurplantages Bantaskine, John, en Friendship behoorden alledrie aan de boedel Macdonald.

1908 – 1909 – B.J. Feller c.s.

J. Kameron was de gezagvoerder op de plantage. Enige cacao, bananen en cocosnoten waren de plantageproducten. In 1907 werkten er 18 arbeiders ; het betrof hier dus een kleine landerij. de almanak van 1908 duidt alle plantages aan als “gronden”, met de motivatie dat “geen van alle meer de naam plantage waardig zijn”.
B.J. Feller was eveneens eigenaar van Cardrospark ; verder was ene B. Feller de eigenaar van Maryshope.

2004 – de monumenten

Philip Dikland maakte in 2003 een uitgebreide fotoserie van alle traditionele woningen in Coronie. Het zijn unieke monumentjes, maar geen van alle beschermd, en ze zullen spoedig verdwijnen. Op Bantaskine valt dat overigens nog wel mee, de woningen worden daar juist gerepareerd.

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – encyclopedie Nederlandsch West-Indie – 1917
p.229 gegevens Coronie

1.2 – Andre Loor
Verbonden, suriname en DSB, 1865-1990 – uitg. DSB, 1990

2 – archief Dienst der Domeinen, Paramaribo

1801 – resolutie lot no. 221
Alzoo J: P: Slengarde burger en inwoonder van Demerarij zig aan ons bij requeste heeft geaddresseert en te kennen gegeven, dat hij suppliant van terzeijde is geinformeerd alsdat aan den zeekusten van deeze colonie nog eenige landen onbegeven leggen, dat hij suppliant ter bevordering van desselvs fortuin en tot soutien van een talrijk huisgezin zig gaarne met een der loten lands wenschte begunstigd te zien.
Weshalven hij verzogte dat hem mag werden geconcedeert ‘t perceel land bekend onder no. en de nodige warrand daarvan verleend.
Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden te vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan J: P: Slengarde omme in allodialen eigendom op te neemen en erffelijk te mogen besitten het perceel land gelegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generaale schetskaart daarvan onder bekend onder no. 225 (NB: waarsch. verschrijving – moet zijn 221) ter groote van 500 akkers met een face van 30 kettingen,
ende zulx onder de navolgende voorwaarden.
Fiat insertio de conditien als bij de warrand van J: Ogle pagina 258.
Aldus gedaan en met ons zegel bekrachtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was getekend / J. F. Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / J: Pringle secretaris
nevens appositie van ‘t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
Levij Davids gesw: clercq
(Bantask)

1818 – acte van koop en verkoop lot no. 221
Wij ondergeteekens Louis Berto Slengarde C: S: als verkopers van een stuk land groot vijfhonderd akkers geleegen aan de oostkust van de rivier Corantijn en bekend op de kaart onder no. 221
en
Alexander Cameron koper van gemelde lot land ter andere zijde
En verklaarde de eerste ondergeteekende ter eenre aan den tweede ondergeteekende ter andere zijde te hebben verkogt gelijk den tweede ondergeteekende ter andere zijde meede bekend gekogt te hebben het genoemde perceel land geleegen aan de oostkust van de rivier Coratijn en bekend op de generale schetskaart onder no. 221 en de zuls wel voor des omme van vijfhonderd ponden sterling engelsch geld betaalbaar op de volgende wijze en conditien als.
Heeden bij het teekenen van dit contract de somma van een hondert en vijf en twintig ponden sterling en welke somma den eerste onder geteekende ook bekend ontvangen te hebben den tweede ondergeeekende ter andere zijde daarvoor quitteerende in demneerende en voor elke verdere namaning op en aanspraak bevrijdende bij en door deeze en omtrend de resteerende koop somma is den tweede ondergeteekende ter andere zijde aannemende en zich daartoe verplichtende om heeden over zes maanden aan den eerste ondergeteekende ter eenre te zullen voldoen en betalen eene somma van een hondert vijf en twintig ponden sterling onder beding echter dat de privelegien om de producten na Demerarij te mogen afscheepen voor de kustplanters zal blijven continueeren en in allen gevalle zal voor het saldo capitaal door den tweede ondergeteekende gepasseerd worden eene akte obligatoir voor den tijd van vijf agter een volgende jaren rentende van der dag der teekening dezes af tegens den interest ad acht percent ‘s jaars
Verplichtende den eerste ondergeteekende en zich bij deeze plechtig verbindende om bij betaling van de tweede termijn door den tweede ondergeteekende dagdelijk te zullen geeven scabinaal transport voor den gerecht alhier ten zijnen koste en anders wanneer de voorschreeve privilegien mogt komen te cesseeren dan bij finale afbetaling der voorschreeve obligatie
Tot prestatie en naarkoming van het geene voorschreven staat verbinden wij onze persoonen en goederen onder verband als na rechten.
Actum Paramaribo den 24 februarij 1818
/ geteekend / L: B: Slengarde c.s
J: transfer all mij right, title, en interest in and unto the abovementioned lot to William Robertson esq: the whole of the purchase sum of said lot no. 221 I am to paij to mr Slingarde to paij the expence of transfer, and mer: Robertson to paij the canongeld due on said lot
/ geteekend / Alex: Cameron
maij 18 1818
voor eensluidende afschrift, de secretaris van het gouvernements
J: G: Ringeling

1824 – request 1
Geeft met verschuldigden eerbied te kennen James Robertson in qualeit als gemagtigde van de executeuren in den boedel van wijlen William Robertson, dat deze William Robertson blijkens de hierbij overgelegde akte transport in dato 11 februarij 1819 voor heeren raden in den Hove van Civiele Justitie dezer kolonie verleden, is eigenaar geworden van een perceel land gelegen aan het opper distrikt Nickerie bekend onder no. 221, en welk perceel land is aangelegd tot eene katoen plantage genaamd Bantaskine en waarop zich bevinden behalve de vereischte suffisante gebouwen een aantal van 87 koppen slaven, zijnde dit perceel land door voornoemden William Robertson in cultuur gebracht en van slaven en gebouwen voorzien
Dat de voormelde plantage situeerende zo als de hierbij overgelegde kaart figuratief in dato 15 mei 1824 door den gezwooren landmeeter Hiemcke geformeerd is aanwijzende, op den 30 september 1801 door den toenmaligen gouverneur Frederici is uitgegeven aan J: P: Slengarde bij eene warand van dien dag welke alnog niet is geapprobeerdt
Dat het afsijn van des landsheers approbatie op de voormelde warand niet is te wijten aan den voornoemden William Robertson die eersten februarij 1819 wettig eigenaar is geworden en zeker niet zoude zijn afgeweest onmiddelijk een verzoek tot approbatie in te dienen, ware het niet dat hij toen afgewacht had zijner majesteits dispositie op een in dato 10 januarij tevoren door L: B: Slengarde destijds gemagtigde van J: P: Slengarde ingediend request aan zijne majesteit om aprobatie op de voormelde warand, en omstreeks den tijde dat dit request zonder dispositie retourneerde ware overleden
Dat alnu de suppliant gaarne de voormelde warand geapprobeerd ofwel eenen nieuwen grondbrief overeenkomstig ‘s konings besluit van den 20 december 1820 no. 46 wenscht te hebben, doch in het laatste geval met dispensatie van de betaling van de 3000 bepaald bij art 1 van welgemeld besluit en bij art 2 van den aan hetzelve gehechte (model)grondbrief, zoals ook van de betaling van vijf en twintig stuivers recognitie per akker gedurende twee jaren en wel het vierde en vijfde der uitgifte, bepaald aan hoofd van art 2 des grondbriefs, alsmede van den inhoud van het vijfde artikel derzelven grondbrief, en zulks op grond dat er bepalingen min of meer van gelijken aard reeds bestaan hebbende in de voorn: warand van den gouverneur Friderici van het jaar 1801 ; en dat aan die bepalingen zedert die vroegere uitgifte reeds voldaan is geworden, zijnde alsmede de altoos durende jaarlijksche recognitie a twee stuivers per akker geregeld betaald evenals alle andere landslasten, zoals ten duidelijkst blijkt uit het hierbij overgelegde certifikaat door de ontvangers der onderscheidene landskantoren afgegeven.
Aangezien de suppliant qq zich vleit dat uwe excellentie zich onbezwaard zal vinden om zijn verzoek om approbatie op die voormelde warand ofwel om eenen nieuwen grondbrief aan zijne majesteit voor oogen te brengen en met uwer excellenties gunstige consideratien te ondersteunen, te meer daar het ter gouvernements secretarij blijkt dat zoals hiervoren is opgegeven in het jaar 1819 reeds een verzoek om approbatie door den voorigen eigenaar L: B: Slengarde qq is ingediend, en almede nu wenschende te voldoen aan uw excellentie publicatie van den 23 februarij ll gouvernements blad no. 3 en resolutie van dien zelfden dag no. 48 van welke laatste hij afschrift heeft gekregen, zo keert hij suppliant zich tot uwe excellentie, reverentelijk verzoekende dat het U HoogEdel Gestrenge behage des suppliants voormeld verzoek aan zijne majesteit voor te leggen en met uwer excellentie gunstige consideratien te ondersteunen en van dit uwer excellentie voornemen aan den suppliant qq te doen blijken
Paramaribo den 2 junij 1824
welkdoende
J: G: Ringeling

1824 – request 2
Geeft met verschuldigden eerbied te kennen James Robertson in qualiteit als gemagtigde van de executeuren en den boedel van wijlen William Robertson, dat des suppliant principalen hebben verkocht aan James Towers en James Barclaij te Glascow en James Mac Pherson te Rotterdam, alhier gerepresenteerd door Colin Campbell jr. qq, de plantage Bantaskine cum annex gelegen aan ….. de somma van Ls 2713
Dat de suppliant qq gaarne ten behoeve van den voormelden Colin Campbell jr. qq alnu wenschte transport te passeren waarin hem echter obsteerd dat de warand van voormelde plantage nog is ongeapprobeerd en waaromtrent uwe excellentie bij dezelfs resolutie van den 8 junij jl no. 186 waarvan het afschrift eerbiedig hierbij werdt overgelegd den suppliant qq heeft toegezegt, zijne majesteits dispositie te zullen vragen.
Dat ondertusschen de suppliant qq, bedacht op eenige middel tot vookoming van enorme schade voor den boedel William Robertson, niet te verhoeden wanneer alvorens transport te kunnen passeren zijner majesteits dispositie moet worden afgewacht, gelooft een voldoende middel te hebben gevonden waarin het gouvernement dezelfs regten behoudt en desniettemin uwe excellentie van het regt van naasting den landsheer kompeterende zal kunnnen afzien, bestaande hierin : dat voornoemde Colin Campbell jr. qq voor zijne principalen zich door uitdrukkelijk inse: ende akte transport verbindt tot de nakoming van zijner majesteits eventueele beschikking op des suppliants request van den 2 junij ll en uwer excellentie ‘s welgemelde daarop gevolgde resolutie van den 8 dezer no. 186, en ten overvloede tot nakoming daarvan de voormelde plantage cum annexis verbindt en excecutabel stelt
En aangezien den suppliant qq zich vleit dat uwe excellentie zich onbezwaard zal vinden om onder deze of zodanige andere bepaling als uwe excellentie zal gelieven voor te schrijven, voor den tegenwoordigen verkoop af te zien van het regt van naasting.
Zo keert hij suppliant qq zich met gepasten eerbied tot uwe excellentie, ootmoedig verzoekende hoogst deszelf afzage van het regt van naasting
Paramaribo den 12 junij 1824
welk doende
J: G: Ringeling

1824 – resolutie
Gelezen het requeste van James Robertson in qualiteit als gemachtigde van de executeuren in den boedel van wijlen William Robertson te kennen gevende, dat zijne principalen hebben verkocht aan James Fowers en James Barclaij te Glascow en James Mac Fherson te Rotterdam, alhier gerepresenteerd door Colin Campbell jr., de plantage Bantaskine cum annexis gelegen aan het opper distrikt Nickerie, en zulks voor de som van Ls 2713 ; dat hij suppliant qq ten behoeve van den voormelden Colin Campbell jr. qq alnu transport wenschende te passeren, hem daarin obsteert dat de warand van voormelde plantage nog is ongeapprobeerd, waaromtrent wij bij onze resolutie van den 2 deser maand no. 186 aan den suppliant qq hebben toegezegd zijner majesteits dispositie te zullen vragen ; dat ondertusschen de suppliant qq bedacht op eenig middel tot voorkoming van enorme schade niet te verhoeden wanneer alvorens transport te kunnen passeren zijner majesteits dispositie moet worden afgewacht, ons is voorstellende af te zien van het regt van naasting onder bepaling dat voornoemden Colin Campbell jr. qq voor zijne principalen zich door uitdrukkelijke insertie in de akte-transport verbindt tot de nakoming van zijner majesteit eventueele beschikking op des suppliant request van den 2 dezer maand en voormelde onze daarop gevolgde resolutie van den 8 jl. no. 186 ; en ten overvloede tot nakoming daarvan de voormelde plantage Bantaskine cum annexis verbonden en executabel stelt ; mitsdien verzoekende dat het ons behagen onder de voormelde of zodanige andere bepaling als wij zouden nodig oordeelen vast te stellen, af te zien van het regt van naasting op den voormelden verkoop den Landsheer kompeterende.
Herzien voormelde onze resolutie van den 8 dezer maand no. 186 en nader gelet op al hetgeen bij dezelve in aanmerking is gekomen.
Gezien het certificaat door den geswooren landmeeteer en rooijmeester A: H: Hiemcke sub dato 15 mei 1824 afgegeven en relatief tot de voormelde plantage.
Hebben goedgevonden en verstaan.
1. Het zoƫven gemelde certificaat van den geswooren landmeeter en rooijmeester A: H: Hiemcke te approberen zoals wiij doen bij deze.
2. Af te zien zoals wij afzien bij deze, van het regt van naasting op den voormelden verkoop, zulks nogtans onder deze bepaling dat de koopers van voorm: plantage Bantaskine cum annexis zich door uitdrukkelijke insertie in de akte-trasport verbinden tot de geheele opvolging en nakoming van zoodanige dispositie als het zijne majesteit behagen zal op des suppliant requeste van den 2 dezer maand en onze daarop gevolgde resolutie van den 8 jl. no. 186 te nemen, en tot verzekering waarvan dezelve plantage cum annexis verbonden en executabel zal zijn.
3. Een extrackt dezer te doen uitreiken aan den suppliant tot deszelfs narigt, zullende daaraan provisioneel worden en blijven geannexeerd : de warand door den heere Gouverneur Frederici sub dato 30 september 1801 uitgegeven ; de kaart figuratief in dato 15 mei 1824 door den geswooren landmeeter Hiemcke geformeerd ; het voormelde door denzelven landmeeter sub laatst genoemde dato afgegeven certificaat ; en het ten requeste geexhibeerde afschrift van onze voormelde resolutie van den 8 dezer maand no. 186.
4. Een extrakt dezer te doen toekomen aan den heer Raad Kontrarolleur van Financien met uitnodiging om door den bevoegden ontvanger te doen waken voor de invordering te precieser tijd van de op den voormelden verkoop gevallen transport geregtigheid.
A: de Veer
ter ordonnantie van zijne excellentie de secretaris van het gouvernement
J: G: Ringeling

Comments are closed.