Burnside

June 17th, 2009

Suikerplantage Burnside.

Opperdistrict Nickerie, lot 210 – 211
volgorde der plantages: (van oost naar west)
Inverness – Hamilton – Welgelegen – Moy – Perseverance – Maryshope – Totness – Friendship – Bantaskine – John – Bella drum – Johanna Maria – Groot en klein Novar – Salem – Clyde – Leasowes – Sarah – Burnside

Auteur: Philip Dikland, 2004.

chronologie:

1801 – A. Cameron (lot no. 210)
James Murphy (lot no. 211)

Lot no. 210 werd in eigendom verkregen door A. Cameron. Cameron is de enige eigenaar in Coronie geweest die werkelijk iets met de grond heeft gedaan ; de overige eigenaren hadden de gronden aangevraagd voor speculatiedoeleinden.

1808 – aanleg eerste plantages in Opper Nickerie (enc. West-Indie, p.229)

“……De eerste plantage was Lot no. 210 (later Burnside), waar een zekere A. Cameron het eerst katoen plantte. Het aantal plantages, meest alle aan Engelschen en Schotten toebehoorende, groeide snel aan en Opper-Nickerie werd een bloeiend katoenland. Toen de katoenprijzen daalden ging het district achteruit. Daartoe werkte ook de afspoeling der kust mede. De plantagegronden lagen vroeger alle met haar voordammen aan zee; op de achtergronden had men een breede, evenwijdig met de kust lopende zandrits, waarover een uitstekende, breede rijweg was aangelegd, de nog bestaande weg, terwijl de vroegere voordammen door de zee zijn weggespoeld. Daarna begon de kust weer aan te groeien, waardoor uitgestrekte modderbanken ontstonden, die de loozingkanalen verstopten en de landing zoowel als den afvoer van producten van jaar tot jaar moeilijker maakten….anders dan over zee is het district niet te bereiken……….”

1821 – Al. Cameron, W. Punett (almanak 1821)

Burnside was in die dagen nog een katoenplantage. J. Leith was de directeur van de plantage ; J. L. Cameron verzorgde de administratie. Cameron en Punett waren ook eigenaren van de katoenplantage Leasowes.
Leasowes (1000 akkers, 223 slaven) en de naastliggende kleine plantage Clyde (250 akkers, 27 slaven) waren beide het eigendom van de boedel A. Cameron. Directeur op de plantage was J. Ricketts, en de administratie was in handen van W. Mackintosh.
Tot de boedel behoorden verder nog de plantage Oxford in Coronie, Alliance aan de Matapica, Labadieshoop eveneens aan de Matapica, Abigaelslust en Waterloo aan het Tapoeripakanaal, de Lemmert aan de Motkreek, en de houtgrond Albion aan de Saramacca. Voor verdere gegevens over Cameron zie de beschrijving van plantage Alliance.

1843 – T. Gray (almanak 1843)

Burnside was een grote katoenplantage van 1000 akkers met 296 slaven. Thomas Gray was de eigenaar ; hij woonde op de plantage en beheerde zijn bezit zelf. Hij bezat geen andere plantages.

1854 – Th. Gray (van Sijpesteijn)

Thomas Gray had de plantage inmiddels omgeschakeld op suiker ; de enige suikerplantage in Coronie. Er waren 395 slaven en 3 vrije arbeiders.

1863 – emancipatie

De eigenaresse was geweest Charlotte Anne Cort uit Barbados ; zij was de weduwe van Thomas Gray, en later hertrouwd met Anthony Howard. Zij was overleden, en haar erfgenamen waren de kinderen van Anthony Howard en de stiefkinderen uit haar eerste huwelijk.
Charlotte Anne Cort was eigenaresse geweest van de plantages: Burnside, Nova en Potosie
De tegemoetkoming voor de slaven bedroeg F 111.900,?? en f 2.100,?.
De erfgenamen in detail:
Juliana Buth, echtg. Harry Leslie Croney
Mary Jane, echtg. William Waithe
Henrietta Carolina Howard
Emma Louisa Jane Howard
Alfred Ernest Howard

Na 1863 – contractarbeid

Burnside heeft in 1873 en 1874 in totaal 60 hindustaanse contractanten aangeworven. De eigenaren / beheerders in die tijd waren:
1873 – E.Oldfield / E.Desse (plantages Leasowes, Sarah, en Burnside)
1874 – Edmund Desse (plantage Burnside)

1869 – bijkerk R.K. gemeente

De betrouwbaarste bron over de kerkgeschiedenis van Coronie is A,C. Schalken (historische gids 300 jaar R.K.gemeente, 1985). Volgens Schalken werd de eerste R.K. gemeente in 1842 gevestigd te Cardross Park. Een tweede gemeente ontsond in 1869, toen A. Howard, de eigenaar van Burnside, verlof gaf om daar een hulpkerk te vestigen. Zowel Burnside als Cardross Park lagen aan de westzijde van Coronie, en waren daarom voor de mensen uit midden en oost-Coronie onbereikbaar. In 1875 werd de parochie ingewijd te Mary’s Hope, die centraal-Coronie kon bedienen. Pas in 1883 kwam een oplossing voor oost-Coronie tot stand, toen op Welgelegen de H.H. Joachim en Annakerk werd ingewijd. In dat jaar waren er 3 R.K. vestigingen: Burnside, Welgelegen, en Mary’s Hope. Cardross Park was inmiddels opgeheven. Burnside en Welgelegen waren hulpkerken ; zij waren niet permanent bemand. Eens in de veertien dagen reisde de pastoor naar een van beide plaatsen om de mis voor te dragen.

1908 – 1909 – C.E.J. Hering c.s.

Burnside produceerde voornamelijk cocos. Er werkten 217 arbeiders op de plantage, maar dit lijkt niet in verhouding te staan tot de productie. Hering voerde zelf de administratie over de plantage. De directeur op de plantage was J. Redout.

2004 – de monumenten . Foto’s  KDV architects 2004.

interieur van het kerkje. Foto KDV architects 2004.

burnside-rk-kerk-2004-07-17-01-interieur-kleinOp de plantage Burnside is niet veel bewoning meer. Het kerkje staat eenzaam en alleen, aan wat eens het middenpad met de vaartrens van de grote plantage is geweest. Dieper naar binnen schijnen er nog restanten van het bedrijfsemplacement te zijn. Dit moet nog nader worden onderzocht.
Het kerkje te Burnside is inmiddels afgebroken en geheel vernieuwd. Maar het is een heel andere kerk
geworden. Daar zit een heel verhaal achter: De kerk van Welgelegen was nog goed, maar was buiten gebruik omdat er geen gemeente meer was. Bij Burnside was ‘t andersom : de kerk was slecht, maar de gemeente was er wel. Uiteindelijk werd besloten om het vervallen kerkje van Burnside te slopen, en het mooie maar ongebruikte kerkje van Welgelegen te herbouwen op Burnside. In de maanden april t/m juli 2004 werd deze operatie uitgevoerd. Op 18 augustus 2004 werd de “nieuwe” kerk ingewijd. Het is een logische en praktische oplossing, want de kerk moet daar zijn waar de gemeente is, en Van Kempen handelde in dit opzicht

precies hetzelfde als zijn collega’s van de 19e eeuw. En toch …. is er iets verloren gegaan.

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – Heckers, A.A
het district Nickerie, geographische aanteekeningen en geschiedkundig overzicht, met kaarten
1923, stoomdrukkerij van Ommeren, Paramaribo ; opnieuw uitgegeven 1979.

1.2 – Schalken, A.C.
historische gids 300 jaar R.K.gemeente
1985.

1.3 – C.A. van Sijpesteijn
Beschrijving van Suriname. Historisch-, geographisch- en statistisch overzigt, uit officiele bronnen bijeengebragt.
‘s-Gravenhage, 1854

2 – archief Dienst der Domeinen, Paramaribo

1801 – resolutie lot no. 210
Alzoo William White als daartoe speciaal verzogt en geauthoriseerd door Alexander Cameron zich aan ons bij requeste heeft geaddresseerd en te kennen gegeeven, dat des suppliant principaal vernomen hebbende er op de west zeekust deezer colonie nog landen onbegeeven zijn leggende en hij wenschte met een perceel te werden begunstigd ten einde een catoen plantagie aan te leggen.
Weshalven hij versogte dat hem mag werden geconcedeerd ‘t perceel land bekend onder no. en de nodige warrand daarvan verleend.
Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden te vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan Alexander Cameron omme in allodialen eigendom op te neemen en erffelijk mogen bezitten het perceel land geleegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generaale schetskaart daarvan zijnde bekend onder no. 210 ter groote van 500 akkers met een face van 30 kettingen,
ende zulx onder de navolgende voorwaarden.
Fiat insertio de conditien als bij de warrand van J: Ogle pagina 258.
Aldus gedaan en met ons zegel bekrachtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was getekend / J. F. Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / J: Pringle secretaris
nevens appositie van ‘t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
Levij Davids gesw: clercq

1801 – resolutie lot no. 211
Alzoo William White als daartoe speciaal verzogt en geauthoriseerd door James Murphij zich aan ons bij requeste heeft geaddresseerd en te kennen gegeeven, dat des suppliant principaal vernomen hebbende er op de west zeekust deeser colonie nog landen onbegeeven zijn leggende, en hij wenschte met een perceel te werden begunstigd ten einde een catoen plantagie aan te leggen.
Weshalven hij versogte dat hem mag werden geconcedeerd ‘t perceel land bekend onder no. en de nodige warrand daarvan verleend.
Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden te vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan James Murphij omme in allodialen eigendom op te neemen en erffelijk mogen bezitten het perceel land geleegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generaale schetskaart daarvan zijnde bekend onder no. 211 ter groote van 500 akkers met een face van 30 kettingen,
ende zulx onder de navolgende voorwaarden.
Fiat insertio de conditien als bij de warrand van J: Ogle pagina 258.
Aldus gedaan en met ons zegel bekrachtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was getekend / J. F. Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / J: Pringle secretaris
nevens appositie van ‘t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
Levij Davids gesw: clercq


Comments are closed.