Friendship

June 22nd, 2009

Friendship

Opperdistrict Nickerie, lot 222
volgorde der plantages: (van oost naar west)
Inverness – Hamilton – Welgelegen – Moy – Perseverance – Maryshope – Totness – Friendship – Bantaskine – John – Bella drum – Johanna Maria – Groot en klein Novar – Salem – Clyde – Leasowes – Sarah – Burnside

Auteur: Philip Dikland, 2004.

Foto: Commissaris woningfriendship-woning-dc-1983-01-klein-kdv-arch-1983

Het districtcommissariaat is gevestigd op de plantage Friendship. Het mooiste gebouw is ongetwijfeld de woning van de districtcommissaris. Deze werd gebouwd in 1868 en is een van de mooiste monumenten van geheel Suriname. Maar de moderne districtcommissaris anno 2004 woont niet langer in Coronie ; hij woont in Paramaribo en bestuurt het district van afstand. De oude woning staat daarom al tijden leeg, en het mooie gebouw ziet er thans (2004) wat verwaarloosd uit. In 1983 (foto) was dat wel anders !


Friendship, de woning van de districtcommissaris.Foto KDV architects, 2000.

chronologie:

1801 – Joseph Wood Ruce (archief Dienst der Domeinen)

In 1801 verkreeg Joseph Wood Ruce (of Reece) de warrand van het perceel no. 222, de latere plantage Friendship. Ruce heeft echter het perceel niet in cultuur gebracht..

1821 – W. Robertson (almanak 1821)

In de almanak van 1821 staan de volgende gegevens: In 1821 vormden lot 221 en 222 een grote plantage onder de naam Bantaskine. Eigenaar Robertson woonde op de plantage en beheerde deze zelf. Hij bezat geen andere plantages.

Maar de archieven van de Dienst der Domeinen vertellen een ietwat ander verhaal. In 1819 verkocht Joseph Wood Reece het perceel aan W. Robertson voor het bedrag van F 5000,-. Robertson “geene kans ziende om het voormelde perceel land nog braak liggende met succes onder cultuur te brengen” verkocht het perceel door aan James Campbell voor hetzelfde bedrag waarvoor hij het had gekocht. Campbell bracht de plantage in cultuur. Dit blijkt uit een request van 1824, waarin Campbell verzocht om een nieuwe warrand voor de plantage Friendship “zijnde eene katoen plantage door den suppliant in cultuur gebragt en bereids van de noodige gebouwen en van 37 slaven voorzien”.

Circa 1810(?) vestiging militaire post
friendship-1875-01-de-post-coronie-klein

Ter bescherming van de Coroniaanse plantages, en ter controle van de slavenpopulatie, werd een militaire post gevestigd aan de mond der Corona kreek. Deze post heeft vermoedelijk bestaan tot 1875. Het districtcommissariaat en naderhand de politiepost werden gevestigd op het terrein van de oude militaire post.


De militaire post te Coronie. Aquarel G.P.H. Zimmerman, ca. 1865

1843 – A. Macintosh (almanak 1843)

De buurplantages Totness (1000 a.), Friendship (500 a.), en Bantaskine (1000 a.) behoorden alle aan dezelfde eigenaar, Alexander Macintosh. Macintosh administreerde de plantages zelf. G. Cruden was de directeur. Totness was een kweekgrond, terwijl op Friendship katoen werd gekweekt.
De familie Macintosh had nog meer zaken in het Opperdistrict. Ene W. Macintosh was de eigenaar van de plantage Inverness, en voorts administrateur van de plantages Bellevue, John, Clyde, Leasowes en Oxford.

ca. 1863 – aanleg districtscommissariaat op de voormalige plantage Friendship. (archief bouwdepartement)

Het centrum werd gevestigd op de plaats van de oude militaire post. Het werd opgezet in dezelfde stijl als de overige posten op o.a. Frederiksdorp en Groningen.
De fraaie woning van de districtcommisaris werd wat later gebouwd dan de overige gebouwen, in het jaar 1868. De aanemer was een zekere Begbie. De districtcommissaris Van de Brandhof hield de zaak nauwlettend in het oog, en heeft ook nog verbeteringen doorgevoerd. Het werk werd in januari 1868 aangevangen en opgeleverd in october van dat jaar, 3 maanden te laat. De vertraging was ontstaan omdat het Gouvernementskanaal te Totness door geladen schoeners niet kon worden bevaren, waardoor Begbie verplicht was geweest de bouwmaterialen over Leasowes en Burnside aan te voeren, en “per as” op 1 1/2 en 2 uren afstand naar de werkplaats te vervoeren. De overheid had begrip voor de situatie, en de boete voor te late oplevering werd kwijtgescholden.(archief bouwdepartement 1868)

Bestond Friendship in die tijd nog als actieve plantage ? Waarschijnlijk wel, het districtcommissariaat nam immers slecht een klein deel van de plantage in beslag. Maar desondanks komt de plantage niet voor in de emancipatieregisters van 1863.
Het gouvernementskanaal in 2003. De mooie sluis is een betonnen constructie, maar gedetailleerd alsof het een houtconstructie betreft. Foto KDV architects.

1909 – W.H. Macdonald (almanak 1909)

De plantage Friendship was het eigendom van W. H. MacDonald. De eigenaar administreerde de plantage zelf. Gezagvoerder op de plantage was A. Slagveer. De plantage produceerde cacao, bananen, en kokosnoten.

2004 – de monumenten

Philip Dikland maakte in 2003 een uitgebreide fotoserie van alle traditionele gebouwen in Coronie. Het zijn unieke monumentjes, maar geen van alle beschermd, en ze zullen spoedig verdwijnen. Onderstaand treft u foto’s van alle woningen van Friendship .

2004 – de begraafplaats

Friendship bevat voorts nog een aardige openbare begraafplaats, met o.a. enkele 19e eeuwse grafmonumenten.

bronnen:

1 – boeken en artikelen

1.1 – encyclopedie Nederlandsch West-Indie – 1917
p.229 gegevens Coronie

1.2 – Andre Loor
Verbonden, suriname en DSB, 1865-1990 – uitg. DSB, 1990

2 – databases op het internet

2.1 – Heinrich Helstone, Okko ten Hove e.a. – database emancipatieregisters 1863

2.2 – Maurits Hassenkhan e.a. – databases Chinese, Hindustaanse en Javaanse immigratie

3 – archief Dienst der Domeinen, Paramaribo

1801 – warrand
Alzoo Jos: Wood Ruce zich aan ons bij requeste heeft geaddresseerd en te kennen gegeeven, dat hij suppliant is ontwaar geworden dat in diverse rivieren worden uitgegeeven zeekere stukken landen tot culture den suppliant is wenschende om een stuk te mogen in eigendom bezitten ter plaatse waar wij mogte goed vinden aan hem suppliant te vergunnen.
Weshalven hij versogte dat hem mag werden geconcedeerd ‘t perceel land bekend onder no. 222 en de nodige warrand daarvan verleend.
Zo is ‘t dat wij hebben goedgevonden te vergunnen en concedeeren gelijk wij vergunnen en concedeeren aan Jos: Wood Ruce omme in allodialen eigendom op te neemen en erffelijk mogen besitten het perceel land geleegen tusschen de rivieren Coppename en Correntijn op de generaale schetskaart daarvan zijnde bekend onder no. 222 ter groote van 500 akkers met een face van 30 kettingen,
ende zulx onder de navolgende voorwaarden.
Fiat insertio de conditien als bij de warrand van J: Ogle pagina 258.
Aldus gedaan en met ons zegel bekrachtigd alhier aan Paramaribo den 30 september 1801
/ was getekend / J. F. Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / J: Pringle secretaris
nevens appositie van ‘t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
Levij Davids gesw: clercq

1819 – request
Geeft met verschuldigd respect te kennen W: A: Carstairs ingezeten dezer kolonie als gemagtigde van J: W: Reece, dat des suppliants principaal tot verbetering van zijn fortuin in den jare 1801 zich aan den destijds gouverneur generaal dezer kolonie heeft geadresseert en in dato 30 september van hetzelve jaar, van den zelven heeft geobtineerd de gift of concessie van een perceel land gelegen tusschen de rivieren Copename en Correntijn op de generale schetskaart bekend onder no. 222 ter groote van vijfhonderd akkers met een face van dertig ketingen
Dat alhoewel bij de warrand van het gemelde land bij art 1 was bepaald dat de approbatie op dezelve binnen zekeren daarbij bepaalden tijd van den landsheer moest werden verzogt, des suppliant principaal zich echter door de bijzondere politieke gesteldheid van de kolonie buiten staat heeft bevonden om tot dat einde eenig adres te doen, en dus heeft moeten afwagten dat vanwegen het gouvernement zoude worden aangewezen bij welk hoog gezag men zich ter verkrijging dier approbatie zoude behoren te wenden.
Dat den suppliant qq ten gevolge dezer onvermijdelijke verhindering verstoken is gebleven van de mogelijkheid om aan de gemelde konditie van de warrand te voldoen, en alzoo nog in het geval verseerd van een vollendig bewijs te besitten van het aan hem qq in voegen voormeld vergund land.
Dat nog thands aan hem en anderen in gelijke omstandigheden door een onlangs door het gouvernement alhier gedane publieke kennisgeving is aangetoond hoedaning zij zich opzigtelijk het doen van verzoeken ter verkrijging van deze ontbrekende approbatie zouden hebben te gedragen.
Dat den suppliant qq van deze aangewezen wijze gebruik makende, te rade is geworden zich tot uwe majesteit te wenden met eerbiedig verzoek dat het hoogst dezelve moge gelieven te behagen de aan den suppliant door den de gouverneur generaal dezer kolonie J: F: Friderici in dato 30 september 1801 verleende warrand van een perceel land, waar van hij de vrijheid neemt kopij authentiek bij deze over te leggen, benevens een kaart figuratief der strekking en belending, gunstig te approbeeren en van deze hoge approbatie aan den suppliant qq te doen blijken en forma
Suriname den 6 januari 1819
welk doende
J: C: Guicherit

1824 – request
Geeft met verschuldigden eerbied te kennen James Campbell ingezeten dezer kolonie, dat Joseph Wood Rocu, op den 30 september 1801, van den toenmaligen gouverneur Friderici, heeft verkregen eene warand, voor een perceel land gelegen aan de zeekust, tusschen de rivieren Corrantijn en Coppename ter grootte van 500 akkers, en welk perceel is bekend onder no. 222, zijnde hetzelve perceel gesitueerd, zo als de hierbij overgelegen kaart, op den 4 october 1805, door den landmeeter Sam: Ricketts geformeerd, en het mede hierbij overgelegde certifikaat door den geswooren landmeeter en rooijmeester A: H: Hiemcke sub dato heden afgegeven, zijn aanwijzende
Dat deze Jos Wood Rocu bepaling in dezelve warand voorkomende om de appprobatie op dezelve te verzoeken van den landsheer die nader zoude worden aangewezen is nagekomen, als blijkende het ter gouvernements secretarij, dat hij kort na de aanwijzing van den landsheer en wel op den 6 januariij 1819, door zijnen toemaligen gemagtigden W: A: Carstairs, een request om approbatie op voormelde warand aan zijne majesteit gerigt, aldaar heeft ingeleverd.
Dat korten tijd naderhand en wel den 25 februarij 1819, voorn: J: W: Rocu, het voormelde perceel land heeft verkocht voor de som van f 5000,- en hetzelve met voorkennis van den toenmaligen gouverneur generaal ad interim blijkens diens resolutie van den 6 februarij 1819 no. 63 ten behoeve van den kooper W: Robertson ten overstaan van heeren raden in den Hoove van Civiele Justitie heeft getransporteerd.
Dat eenigen tijd naderhand, deze W: Robertson geene kans ziende om het voormelde perceel land nog braak liggende met succes onder cultuur te brengen, hetzelve weder voor gelijk bedrag als waarvoor hij hetzelve gekocht, en op welken verkoop de executeur van gem: W: Robertson, George Mac Andrew of te wel diens speciaale gemagtigde Colin Campbell jr. alnu ten behoeve van den suppliant legaal transport wenscht te passeren.
Dat omstreeks den tijd dat het voormelde aan zijne majesteit gerigte request, zonder dispositie retourneerde, de zo even genoemde W: Robertson overleden zijnde, hierin hoofdzakelijk de oorzaak gelegen is, waarom sedert het vragen van approbatie opde voormelde warand of wel om eenen nieuwen grondbrief, ingevolge ‘s konings besluit van den 20 december 1820 no. 46, is vertraagd.
Dat ondertusschen de suppliant qq echter alnu gaarne willende voldoen aan uwer excellenties publickatie van den 23 februarij ll gouvernements blad no. 3 en aan uwer excellenties resolutie van den zelf den dag no. 48 waarvan hem een afschrift is geworden, alnu ingevolge art 3, 4 en 5 van welgemeld besluit wenscht door intermediair van uwe execellentie ‘s konings approbatie op de voormelde warand van den gouverneur Friderici de dato 30 sept: 1801 te mogen krijgen of wel eenen nieuwen grondbrief, overeenkomstig het moedel gevoegd aan welgemeld koninklijk besluit van den 20 december 1820 no 4, doch in het laatste geval, met dispenstie van de betaling van de f 3000,- bepaald bij art 1 van welgemeld besluit en bij art 2 van den aan hetzelve gehechten grondbrief, zoals ook van de betaling van vijf en twintig stuivers recognitie per akker gedurende twee jaren en wel het vierde en vijfde der uitgifte bepaald aan het hoofd van art 2, des grondbriefs, almede van den inhoud van het 5de artikel deszelven grondbriefs en zulks op grond dat er bepalingen, min of meer van gelijken aard bestaan hebben, en de warand van den gouverneur Friderici van het jaar 1801, waaraan reeds is voldaan geworden, terwijl de suppliant qq vermeent niet allen op voorsz: gronden op de voorm: dispenstien aanspraak te mogen maken, maar ook ingevolge art 8 van zijnde majesteit voormeld besluit en ook uit aanmerking dat hij die het voormelde perceel, voor slecht korten tijd, gekocht heeft braak en ongecultiveerd, zo dat hij hetzelve met f 5000,-zijnde het bedarag des koopschat, rijkelijk te betaald heeft hetzelve heeft gevormd tot eene katoen plantage bekend onder den naam van Friendschip, waarop zich reeds behalve de noodige suffinate gebouwen 37 koppen slaven bevinden, hebbende in het gepasseerde jaar reeds 50 balen katoen opgeleverd, zo dat hij met de door hem opgenomen gelden, waaruit hij den aanleg en vergrooting dezer plantage moet vinden en waarvoor hij bij het passeren van transport te zijnen behoeve dezelve plantage Friendschip hypothecair, moet verbinden den land alreeds een niet onaanzienlijk voordeel heeft toegebracht, als hebbende hij niet allen alle plantage lasten steeds prompelijk voldaan, maar ook de altoos durende jaarlijksche recoqnitoe a 2 stuivers per akkers, die even als alle andere gelden lasten behoorlijk zijn aangzuiverd zoals blijkt uit het hieraan geannexeerde certifikaat, door den ontvangers van het kantoor der hoofdgelden en van het kantoor der landstaxen afgegeven.
en aangezien de suppliant zich vleit dat uwe excellentie zich onbezwaard zal vinden om approbatie op de voormelde warand of wel eenen nieuwen grondbriefs met de voormelde dispensatien voor den suppliant of wel voorste plantage Friensdship van zijne majesteit te verzoeen en met uwer execellentie gunstige consideratien te ondersteunen.
Zo keert hij zich tot u hoogedel gestrenge eerbiedig verzoekende dat het uwe excellentie behage.
1. Te approberen de voormelde kaart op den 4 october 1805 door den gesworen landmeeter Sam: Ricketts geformeerd, alsmede de kopijen derzelve op heden door den gesworen landmeeter A: H: Hiemcke vervaardigd, zoals ook het door laatst gen: landmeeter sub dato heden in duplo afgegeven certifikaat relatief tot het voormelde perceel no. 222 ofte wel plantage Friendschip
2. Van zijne majesteit voor dezelve plantage Friendschip te verzoeken approbatie op de voormelde warand van wijlen den heer gouverneur Friderici dd 30 september 1801 ofte eenen nieuwen grondbrief overeenkomstig het model gevoegd aan hoogst deszelfs besluit van den 20 december 1821 no. 46, doch zulks met de hiervoren opgegevene dispenstien en dat verzoek met uwer excellenties gunstige consideratien te appruijeren
3. Inmiddels en onder afwachting van ‘s konings dispositie, aftezien van het regt van naasting op den verkoop van het meergemelde perceel land no. 222 door wijlen W: Robertson aan hem supplian, voor de som van vijfduizend guldens sur. kt., zijnde hij suppliant daarentegen bereid zich te verbinden tot de volle nakoming van ‘s konings eventuele dispositie zelfs om tot zekerheid daarvan door uitdrukkelijke insertie in de akte van het te zijnen behoeve te passeren transport de dikwijls plantage Friendschip cum annexis, daardoor te verbinden en excutabel te stellen
Paramaribo den 12 junij 1824
welk doende
J: G: Ringeling

1824 – certificaat
Certifikaat
Relatief tot het perceel land no. 222, gelegen aan de zeekust tusschen de rivieren Corrantijn en Copenaame
1. De warand van dit perceel de dato 30 september 1801 is te vinden in het archief en wel in het waranden boek no. 2b fo. 698
Aan deze warand ontbreekt nog de approbatie van den landsheer
2. Van de aan mij overgelegde ongeapprobeerde kaart, is in het archief geene kopij te vinden.
Weshalven ik voor de archieven nog twee kopijen heb vervaardigd, en aangezien die kaarten overeenkomstig de warand en de generale kaart van de kust zijn, kunnen dezelve geapprobeerd worden.
3. Gemeld perceel ligt tusschen de perceelen no. 221 en 223 ; en houdt in deszelfs voor- en achter fatie elk 30 kettingen, in de lijn met het perceel no. 223 houdt hetzelve 161 kettingen en 11 voeten, en in de lijn met het perceel no. 221 houdt het zelve 172 kettingen en 11 voeten, houdende voormeld perceel no. 222 dus eene vlakte van 500 akkers.
Zulks certificere
Actum Paramaribo den 12 junij 1824
A: H: Hiemcke
geapprobeerd bij resolutie van zijne excellentie den heere generaal majoor gouverneur der kolonie Suriname van den 12 junij 1824 no. 197 de secretaris het gouvernement
J: G: Ringeling

1824 – resolutie
Gelezen het requeste van James Campbell ingezeten dezer kolonie gedagteekend van heden om aangevoerde redenen verzoekende dat het ons behage :
1. Te approberen de kaart van uitmeting op den 4 october 1805 geformeerd door den geswooren landmeeter Sam: Ricketts ingevolge eene warand van den Gouverneur Friderici van den 30 september 1801 van een perceel land bekend onder no. 222 gelegen aan de Zeekust tusschen de rivieren Corantijn en Coppename groot 500 akkers, en welk perceel land tegenwoordig is bekend onder den naam van plantage Friendship, zijnde eene katoen plantage door den suppliant in cultuur gebragt en bereids van de noodige gebouwen en van 37 slaven voorzien, zoals ook de van dezelve kaart sub dato heden door den geswooren landmeeter A: H: Hiemcke vervaardigde kopijen en het door laatstgem: landmeeter ingelijks sub dato heden in duplo afgegeven certificaat relatief tot het voormelde perceel ofwel plantage Friendship.
2. Voor den suppliant aan zijne majesteit te verzoeken approbatie op de voormelde warand ofwel eenen nieuwen grondbrief overeenkomstig het model gevoegd aan ‘s konings besluit van den 20 december 1820 no. 46 en zulks met de dispensatien ten requeste opgegeven en dat verzoek met onze gunstige condsideratien te ondersteunen.
3. Inmiddels en onder afwachting van ‘s konings dispositie op het sub 2 vermelde verzoek af te zien van het regt van naasting op den verkoop in het jaar 1819 door nu wijlen Wm: Robertson aan den suppliant gedaan voor de som van 5000 guldens sur. kt. van het voormelde in dien tijd nog braak liggend perceel land no. 222, zijnde hij suppliant daarentegen bereid zich te verbinden tot de volle nakoming van ‘s konings eventuele dispositie, ja zelfs om tot zekerheid daarvan door uitdrukkelijke insertie in de akte van het te zijnen behoeve te passeren transport, de voormelde plantage Friendschip cum annexis te verbinden en executabel te stellen.
Gezien het voormelde certificaat van den geswooren landmeeter A: H: Hiemcke.
Gelet op de bij hetzelve gerelateerde bijzonderheden.
Gezien de voormelde warand van wijlen den gouverneur Friderici en de uit krachte derzelve geformeerde kaart alsmede de daarvan vervaardigde kopijen.
Gelet dat ter Gouvernements secretarij consteert dat op den 6 jauarij 1819 door den gemachtigden van den vorigen eigenaar een request aan zijne majesteit om approbatie op de voormelde warand is ingeleverd.
Gezien de resolutie van de Gouverneur Generaal ad int: van den 6 februarij 1819 no. 63 waarbij dezelve op den toen voorhanden zijnde verkoop van voormeld perceel in de veronderstelling dat de approbatie op het toen alsreeds ingeleverd en daartoe tenderende request niet zoude worden geweigerd, heeft afgezien van het regt van naasting, op welke resolutie wij zijn teruggekomen bij onze resolutie van den 23 sub 7 dezes jaars no. 48 en onze publicatie van denzelven dag gouvernement blad no. 3 naar aanleiding der ministerieele res: dd 26 september 1823 no. 7/61
Gelet dat op den overgang van eigendom van voormeld perceel aan W: Robertson de transportgeregtigheid is voldaan.
Gelet op ‘s konings besluit van den 20 december 1821 no. 46 en op de ministeriele aanschrijving van den 11 februarij 1821 no. 5/8.
Gelet dat wegens voormelde plantage aan geen der landskantoren iets achterstalligs verschuldigd is.
Hebben goedgevonden en verstaan.
1 – De voormelde kaarten en certificaat te approberen zoals wij doen bij deze.
2. Aan den suppliant te kennen te geven zoals wij doen bij deze, dat wij zijn verzoek om approbatie op den warand van den Gouverneur Friderici van den 30 september 1801 ofwel om eenen nieuwen grondbrief overeenkomstig het model gevoegd bij ‘s konings besluit van den 20 december 1820 no. 46, met de ten requeste vermelde dispensatien zullen toezeden aan zijne excellentie den heere minister voor het publiek onderwijs de nationale nijverheid en de kolonie, om door hoogst deszelfs intermediair zijner majesteits dispositie te erlangen.
3. Inmiddels en onder afwachting van ‘s konings dispositie af te zien zoals wij afzien bij deze, van het regt van naasting op den voormelden verkoop door nu wijlen W: Robertson aan den suppliant gedaan van het meergemelde perceel land no. 22 voor de som van 5000 guldens sur. kt., met dien verstande nogtans dat de suppliant zich door uitdrukkelijke inserie in de akte van het alnu te zijne behoeven te passeren transport verbinde tot de volle nakoming van zijner majesteits eventuele dispositie, en tot verzekering waarvan de plantage Friendship cum annexis blijft verbonden en executabel
4. Een extrakt dezer te doen uitreiken aan den suppliant tot deszelfs narigt, zullende provisioneel daaraan worden en bllijven geannexeerd de voormelde warand van wijlen den heer Gouverneur Friderici ; de kaart van den gezwooren landmeeeter Ricketts ; en het certificaat van den geswooren landmeeter en rooijmeester Hiemcke voormeld.
5. Een extrakt dezer te doen toekomen aan den heer raad kontrarolleur van Financien tot deszelfs informatie, met uitnoidiging om door den bevoegden ontvanger te doen invorderen de transportgeregtigheid op den voormelden verkoop gevallen.
A: de Veer
ter ordonnantie van zijne excellentie de secretaris van het gouvernement
J: G: Ringeling

Comments are closed.